maandag 24 mei 2010

Column 74: Graf van Karel de Grote onvindbaar

Hoorde ik op de radio. Was drie jaar naar gezocht, maar niet gevonden.
Ik citeer het NOS nieuwsoverzicht van dinsdag 18 mei jl.:


In de dom van Aken is een speurtocht van drie jaar naar het graf van keizer Karel de Grote zonder succes beëindigd. Zijn stoffelijk overschot ligt sinds de 12e eeuw in de dom, maar het graf is nooit teruggevonden.
Er is uitgebreid gezocht in de voorhal van de kerk, die de afgelopen jaren werd gerestaureerd. De stadsarcheoloog van Aken zegt dat het vaststaat dat Karel de Grote in 814 werd begraven op het terrein van de dom, die deel uitmaakte van het paleiscomplex van de keizer.
Archeologen noemen het onwaarschijnlijk dat het graf van keizer Karel de Grote ooit wordt gevonden.

Het zal je maar gebeuren. Ben je eindelijk stadsarcheoloog van Aken geworden, verkeer je in de gelegenheid onder de voorhal te graven omdat die gerestaureerd wordt en drie jaar later heb je nog niets gevonden. Als graaf Florens V net zo wetenschappelijk te werk was gegaan dan had hij in 1282 nooit ofte nimmer het gebeente van zijn vader, roomskoning Willem II (gest. 1256), teruggevonden onder de haard van een woning in Hoogwoud, West-Friesland. Florens ging als een middeleeuwer te werk, kende de legende hoe Helena van Constantinopel het Heilig Kruis vond, liet een paar Westfriese opaatjes door elkaar rammelen en voila: zij wezen hem het graf aan. Zo doe je dat! Je gaat toch geen heel dorp oproden?

Volgens de Duitse Wikipedia heeft Frederik met de Rode Baard (ca. 1122-1190) en keizer van het Heilige Roomse Rijk sinds 1155 de botten van Karel de Grote uit diens graf in de Akener Pfalzkapelle laten halen in verband met Karels heiligverklaring (in Duitsland) op Kerstavond van het jaar 1165. Een jaar eerder had hij wat er nog restte van de skeletten van de Heilige Drie Koningen naar Keulen laten overbrengen. De bedoeling was overduidelijk: zichzelf profileren als erfgenaam en executeur testamentair van de inmiddels legendarische Karel de Grote (ca. 748-814), volgens Helinant de Froidmont -- vertaald door Jacob van Ma(e)rlant in de Spiegel historiael, partie IV, boek I, hoofdstukken 8-9 -- een verzamelaar van belangrijke relikwieën als de doornenkroon, de spijkers van het kruis, een deel van de speer waarmee Jezus’ zijde doorstoken werd, de doek waarin Hij als baby gebakerd was alsook de zweetdoek waarin Hij begraven werd, het hemd van Maria dat zij uit de wolken liet vallen nadat zij ten hemel was opgenomen en de arm van de oude Simeon.
In 1215 liet zijn kleinzoon Frederik II wat er nog over was van Karels beenderen bijzetten in een zogeheten reliekschrijn, een met edelstenen bezette en van voorstellingen voorziene gouden (doods)kist, vergelijkbaar met de noodkist van de heilige Servaas.
In 1874 -- nog altijd volgens de Duitse Wikipedia -- liet het Akener Stiftkapitel de botten onderzoeken door de destijds fameuze antropoloog en ontdekker van de Neanderthaler Hermann Schaaffhausen (1816–1893). Schaaffhausen reconstrueerde de lichaamslengte op 204 centimeter, wat aangenaam in overeenstemming was met wat Karels biograaf Einhard geschreven had: «septem suorum pedum proceritatem eius constat habuisse mensuram.» Dat wil zeggen dat Karel zeven voet lang was.
Hoe letterlijk moet je dat nemen? Gedurende de Middeleeuwen hadden normale mensen een lengte van zes voet. Mensen van vijf voet -- Alexander ‘de Grote’ -- golden als ‘klein’, mensen van zeven voet als ‘groot’.
In de biografie van Karel de Grote die geschreven zou zijn door bisschop Turpijn is Karel al doorgegroeid tot acht voet, waarbij wordt aangetekend dat hij uitzonderlijk lange voeten had. Niet zo verrassend aangezien Karels vader Pepijn de Korte heette en zijn moeder Berte met de Brede Voeten. Dan kun je van het nageslacht van alles verwachten.
Schaaffhausen constateerde bovendien een breuk in het rechter sleutelbeen, een verwonding die de geschiedenisboeken niet gehaald heeft. Op basis van de gereconstrueerde lengte was men volstrekt overtuigd van de authenticiteit van het gebeente.

U mag het geloven, ik kan het niet. Ik geloof ook niet dat Florens V de botten van zijn vader Willem II in Hoogwoud teruggevonden heeft. Dat hij botten opgegraven heeft, geloof ik wel. Maar van wie? Willems graf te Middelburg is bijna even vaak vernield als het Heilig Graf te Jeruzalem. Natuurlijk trek ik de integriteit van KNO-arts B.K.S. Dijkstra niet in twijfel, die constateerde dat wat er nog over is van die botten toebehoorde aan iemand die een geweldadige dood gestorven is en die even oud was als Willem, maar ik geloof het niet. Als het écht de botten van zijn vader waren dan zou Florens ze nooit in het ‘vreemde’ Middelburg begraven hebben, maar in een Hollands familiegraf.

Ooit heb ik eens op basis van jarenlange persoonlijke ervaringen in de Spuistraat te Amsterdam, waar het P.C. Hoofthuis staat, een Wat je zegt ben je zelf-discussie verlevendigd met de stelling: in de ogen van een prostituee is elke man een hoerenloper. Nu kan en wil ik daaraan toevoegen: in de ogen van een historicus is de gewenste of de aangename waarheid een leugen.

Jacob van M(a)erlant -- met wie ik geen lijntje heb, maar die ik toch regelmatig ‘spreek’ -- zou het niet geloofd hebben dat men Karels graf niet kan vinden. Zeker niet na drie jaar zoeken. Jacob heeft in zijn Spiegel historiael, Partie IV, Boek I, hoofdstuk 33 Karels bijzetting op basis van het Speculum historiale van broeder Vincent beschreven (mijn vertaling, WK):

Karel stierf op de eerste dag van februari. Keizer Karel werd met pracht en praal te Aken begraven, in zijn ronde kapel, de meest eerbiedwaardige kapel die er in zijn tijd in het Roomse Rijk te vinden was. Op zijn begrafenis waren, naar ik gelezen heb, aanwezig: paus Leo van Rome, in gezelschap van veel andere edele Romeinen, bisschoppen, hertogen, graven en abten, meer dan ik ken en te veel om op te noemen. Men had de overledene zijn prachtige keizerskleren aangetrokken, op zijn hoofd een kroon, gezeten op een gouden troon, zoals een heerser eruit ziet, op zijn schoot een boek met daarin de vier evangeliën geschreven in gouden letters. Dat boek hield hij, las ik, in zijn rechterhand, en in zijn linkerhand had hij een gouden scepter. Op zijn hoofd droeg hij een gouden kroon, waaraan een prachtige gouden ketting bevestigd was, die het dode hoofd goed rechtop hield, zodat het niet voorover knikte. Voor hem stond een gouden schild, dat hem uit dankbaarheid en genegenheid geschonken was door de Romeinen. Er werd een ondergronds stenen gewelf voor hem op maat gebouwd, waarin hij respectvol werd bijgezet. Het gewelf werd met kostbare specerijen en welriekende kruiden afgevuld, en onder groot eerbetoon werd de tombe met daarin hun heer Karel dichtgemetseld.

Karels begrafenis zoals afgebeeld in de Spiegel historiael, hs. Akad. XX (vermoedelijk vervaardigd te Gent omstreeks 1320

Wat moet het naar zijn als je dat graf na drie jaar zoeken niet hebt kunnen vinden. Ik hoop dat hij de moed niet opgeeft en blijft zoeken, want dat Frederik met de Rode Baard de botten van Karel heeft opgegraven, geloof ik natuurlijk ook niet. Hij had botten nodig en dus vond hij ze...


Archief Neder-L columns Willem Kuiper