Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

dinsdag 23 december 2003

Is er nog wat gebeurd in de wereld tijdens mijn afwezigheid? Nieuwjaarsrede over het Nederlandse weblog

In het enigszins beduimelde geschiedenisboek van het Nederlandstalige Internet schrijven we 2003 bij als het jaar waarop het weblog doorbrak. Het bestond al een jaar of vijf, maar dit jaar werd het ineens door de websites van de grote media ontdekt als hét publicatiemedium van het internet: NRC Handelsblad begon aarzelend aan een weblog (door internetredacteur Marie-José Klaver, die er eerder op persoonlijke titel al een schreef) en de Volkskrant breidde de zijne uit. Wim de Bie maakte bekend dat zijn weblog op de website van de VPRO zo'n tachtigduizend bezoekers per dag trekt. Hoe is het allemaal zover gekomen? Het weblog dat zich erop beriep 'het eerste (soort van)' te zijn, heette Alt0169 - naar de toetscombinatie die je op een Windows-computer moet indrukken om een copyright-teken te krijgen. Het werd vooral geschreven door een beeldend kunstenaar die zich soms de kolonel noemde, maar in het werkelijk leven Jeroen Bosch heet. Bosch begon zijn weblog in de zomer van 1999 en beëindigde hem, tot verdriet van een paar duizend lezers, drie jaar later, in de zomer van 2001.

Achteraf is Alt0169 makkelijk te classificeren als behorend tot de eerste generatie. Een belangrijk deel van de aantrekkingskracht bestond uit de vele, vele links naar alle uithoeken van het internet, waar de bizarste dingen te vinden bleken te zijn. Die kolonel moest dag en nacht aan het surfen zijn. Bovendien waren zijn stukjes goed en met ironie en taalgevoel geschreven. In de loop van een paar jaar creëerde hij een eigen jargon, met woorden als kneiter (goed voorbeeld), omkatten (vormgeving van een website veranderen) en het Utrechtse stadje U. Het was vaak ook behoorlijk flauw, of nee, hoe noem je dat, melig:

"Tip van de dag: schrijf nooit naar huis, je bent er al.

Bonustip van de dag: als je dan toch naar huis wilt schrijven, mail dan. Scheelt een postzegel."

De kolonel bepaalde veel van de wetten van het nieuwe genre: de stukjes waren kort, de toon was opgeruimd, en er waren veel links. Maar zo bezien waren er al wat voorgangers geweest op het Nederlandstalige Internet, al publiceerden die niet per se op het web. Van 1995 tot 1998 stuurde de Internet-journalist Francisco van Jole elke werkdag een nieuwsbrief via e-mail de wereld in, de Daily Planet, die binnen enkele jaren enkele tienduizenden abonnees kreeg. Die nieuwsbrief was feitelijk een weblog via de e-mail. Van Jole is daarmee te zien als de feitelijke vader van het weblog wat dan meteen mooi de haatliefdeverhouding verklaart die alle Nederlandse webloggers met hem lijken te hebben. Of Alt0169.com de allereerste was, valt niet meer na te gaan. Het was in ieder geval de eerste met een relatief groot succes (in de loop van zijn bestaan besteedden bijna alle landelijke kranten wel aandacht aan het verschijnsel weblog, en altijd werd Alt0169 erin genoemd). Het was ook al snel niet meer de enige. Bijvoorbeeld kwam het wat onbehouwener en puberale Retecool erbij, dat trouwens nog steeds welgemoed doorgaat met virtueel puberen en daarmee een interessante bron van hedendaags taalgebruik vormt:
"Old Skool gamen blijft de bom. Thrustar (een slicke uitvoering van de C64 game thrust) heerst de pan uit."
Een andere vroege Nederlandse weblogger was Tonie van Ringelenstijn. Hij was, achteraf gezien, degene die vooropliep bij de feitelijke doorbraak van het weblog: degene die het weblog als journalistiek instrument ontdekte. Hij was student op een school voor de journalistiek en schreef in zijn vrije tijd zijn weblog vol met observaties over het nieuws. Als er iets gebeurde (11 september), en je wilde op internet achtergrondinformatie vinden, ging je eerst bij Tonie kijken omdat hij de beste bronnen al bij elkaar verzameld had. Hij was er dan ook dag en nacht mee bezig:
"Thuis gekomen na een bezoek aan een Utrechtse kroeg en een lange terugreis zou een normaal mens zijn nest opzoeken. (Dank aan Ton B. en Roland P. voor het bier en snel voedsel) Mijn eerste gedachte was is er nog wat gebeurd in de wereld tijdens mijn afwezigheid?"
Bij de tweede generatie webloggers -- hoeveel generaties kun je proppen in vier jaar? Geduld! -- werd het persoonlijke belangrijker, en de link minder belangrijk. Zij maakten weblogs die autonoom waren, weinig of geen direct verband hielden met de rest van het wereldwijde web. Je zou hun producten op een cd-rom kunnen zetten, of zelfs in een boek kunnen afdrukken, zonder dat daarmee veel verloren zou gaan behalve dan de actualiteit van het voortdurend bijgewerkte weblog. Soms waren dat soort weblogs volkomen onbegrijpelijk voor buitenstaanders, en soms gingen ze gebukt onder de literaire pretenties. Webloggers van deze generatie schrijven hun dagboek op het internet, of produceren korte verhaaltjes. Een voorbeeld van de eerste categorie is Merel Roze; een voorbeeld van de tweede is - wederom - Francisco van Jole, die enkele jaren geleden de eerste fragmenten publiceerden van wat later zijn roman Blink zou worden, en nu bezig is (zij het niet erg frequent) met een serie over het 'tv-loze' bestaan, die misschien ook nog weleens uitmondt in een boek.

Overigens vallen in mijn ogen ook een aantal andersoortige weblogs onder deze generatie: weblogs die niet alleen weinig of geen links bevatten, maar ook weinig of geen tekst. Interessante (en tamelijk extreme) voorbeelden hiervan zijn Tekenlog, waarop de kunstenaar Marcel van Eeden elke dag een tekening plaatst, en de website van Thomas Schlijper, een persfotograaf die elke dag een fraaie foto publiceert die hij op die dag gemaakt heeft. Ook deze weblogs zijn autonoom, maar wel voortdurend bijgewerkt. De charme van een goed tweedegeneratieweblog zit er vooral in dat je het idee hebt dat je een ander mens van dag tot dag volgt.

Dat dit jaar er alweer een nieuwe generatie de derde, maar hierna houd ik er dan ook echt mee op zou opstaan, bleek toen Van Ringelenstijn begin dit jaar stopte met zijn privé-weblog omdat hij het te druk had en binnen enkele maanden opdook als -- waarschijnlijk betaalde - weblogger van het tijdschrift Quote. (Ik geloof niet dat hij er nog langer actief is, trouwens.)

De derde generatie webloggers schrijft zijn weblogs namelijk voor geld, en op websites van traditionele media. Bij de VPRO heeft bijvoorbeeld niet alleen Wim de Bie een eigen weblog, maar ook Wim Brands, dichter en presentator van het radioprogramma De Avonden. De weblogs van de kranten heb ik hierboven al genoemd; een ander voorbeeld is dat sinds de verkiezingscampagne van begin dit jaar sommige politici verslag van hun werkzaamheden doen in de vorm van een weblog. Een voorbeeld is minister Zalm die, al sinds de vorige verkiezingen bijna elke werkdag verslag doet van zijn werk. Dat is niet altijd even meeslepende lectuur - maar dat een bewindsman z'n gedetailleerd inkijkje geeft in zijn doen en laten, heeft iets sympathieks, vind ik.

Ook ons aller staatssecretaris Annette Nijs van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen schrijft een weblog. Zij werd enkele maanden geleden scherp aangevallen op enkele inderdaad wat knullige typefouten; sindsdien heeft zij haar frequentie wat verlaagd en schijnen haar teksten gecorrigeerd te worden. Die correcties gaan dan in ieder geval niet over de wat onbeholpen schrijfstijl:

"19 december

Deze week een hectische week achter de rug. Het plan voor Toelatingsbeleid was uitgelekt en dan staat er plotseling een cameraploeg van RTL Nieuws voor je neus. Een aantal commentaren van andere partijen, zoals de LSVb, waren al bekend, dus heb ik in lijn met het regeerakkoord een korte reactie gegeven.

Vandaag de Ministerraad achter de rug en kun kan ik er vrijuit over praten. De strekking van het plan is om een aantal experimenten uit te voeren [...]

Met het uitlekken van dit plan zie je de reflex: kan niet, mag niet, toegankelijkheid komt in gevar. Logisch, aangezien dit onderwerp al jarenlang een taboe is in Nederland. Jammer, want in Nederland moeten we ook topkwaliteit kunnen leveren en het is mijn stellige overtuiging dat zoiets kan mét behoud van de toegankelijkheid."

De vraag is nu natuurlijk: waar is de wetenschap? Ook voor onderzoekers lijkt het weblog immers een prachtige medium te zijn: een manier om een dagelijks inkijkje te geven in je werk, om elke dag vanuit je eigen invalshoek commentaar te geven op het nieuws, om mogelijk een groep te bereiken die je er bijvoorbeeld van wilt overtuigen om bij je te komen studeren, of om je subsidie te geven.

In de zomer van 2004 vieren we de vijfde verjaardag van het Nederlandse weblog - zullen er rond die tijd ook neerlandistische weblogs bestaan? In de taalwetenschap bestaan er al een paar, in ieder geval in het buitenland. De fraaiste is ongetwijfeld Language Log, waarop een team van vooraanstaande Angelsaksische taalkundigen met heel verschillende specialisaties (mensen als Mark Liberman, Geoffrey Pullum en Sally Thomason) dagelijks speels en wervend laat zien hoe mooi en veelzijdig het vak is. Elke dag is er wel een aardige observatie, een kleine analyse, een poging om aan te tonen dat de New York Times of Nature recentelijk taalkundige onzin hebben gedebiteerd.

Soms worden de berichtjes ook gebruikt om onderzoek te doen:

"Hey fellow bloggers and assorted fans: a question, taking advantage of this wonderful tool called the internet. A question: can you identify for me languages that have neither 1) inflections nor 2) tones used to distinguish lexical items or encode grammar?"
Wat zou het prachtig zijn als je zoiets ook had voor de neerlandistiek - een weblog waar je dagelijks berichten, oproepen en observaties vindt uit alle hoeken en gaten van het vak. Een soort Neder-L, maar dan van dag tot dag bijgehouden, met afbeeldingen van handschriften en syntactische analyses (en wat mij betreft komt er nog steeds twee keer in de maand dan een samenvatting voor de abonnees die een en ander via e-mail willen ontvangen). Die website wordt het dagboek van een kleine gemeenschap van vakgenoten, dat voorgoed laat zien hoe onterecht het is dat ons onderzoek zo weinig de krant haalt, en dat de lezer meesleurt in een interessante en aantrekkelijke manier om de wereld te bekijken: de onze. De vakgroep Nederlands die het aandurft om zo’n weblog te beginnen, voorspel ik een gouden toekomst.

maandag 10 november 2003

Een bekrompen leesstrategie

Ik heb een bekrompen smaak op het gebied van de dichtkunst. Zo lees ik eigenlijk nooit buitenlandse dichters. Ik hou er niet van om gedichten in vertaling te lezen, en ik houd er ook niet van om gedichten te lezen in een taal die niet mijn moedertaal is. Maar mijn bekrompenheid gaat eigenlijk nog verder, merkte ik toen ik het onlangs verschenen Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen van Thomas Vaessens en Jos Joosten las. Zij bespreken daarin zeven 'eigentijdse' dichters. Van die zeven houd ik wel van Robert Anker, Arjan Duinker en Tonnus Oosterhoff, maar niet van Peter Holvoet-Hanssen, Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Peter Verhelst. De eerste drie zijn Nederlanders, de laatste vier zijn Vlamingen. Houdt mijn poëtische nieuwsgierigheid op bij Wuustwezel?

Postmoderne poëzie heeft aan mijn voorkeur voor moderne Nederlanders boven moderne Vlamingen in ieder geval weinig kunnen veranderen. Het is een duidelijk en zakelijk geschreven boek waaruit ik veel geleerd heb over de verschillen tussen modernisme en postmodernisme, en vooral het werk van de dichters waar ik toch al van hield beter kan begrijpen en plaatsen.

Die zakelijkheid is groter dan in de vorige boeken die ik van Vaessens en Joosten gelezen heb. Dat blijkt al uit een vergelijking van de titel van dit boek met die van de eerdere boeken -- 'Circus Dubio & Schroom' en 'De verstoorde lezer' van Vaessens, en 'Onttachtiging' van Joosten. Ik vind dat wel een prettige ontwikkeling in het werk van beide schrijvers, die verzakelijking.

De auteurs leggen helder uit hoe de postmodernisten modernistische ideeën zoals dat een tekst coherent moet zijn, 'achter zich hebben gelaten', dat zij 'niet langer geloven dat' een tekst de indruk moet geven van voltooidheid, of dat er de stem van een auteur in te horen moet zijn. Door die helderheid krijg je af en toe de indruk dat Vaessens en Joosten menen dat die postmodernisten het gelijk aan hun kant hebben met hun opvattingen. Het is in dat licht opvallend dat de tekst waarin dit alles wordt uitgelegd zo coherent is, zo voltooid, en af en toe ook de stem van de auteurs laat horen. Als Vaessens en Joosten al waarde zien in het postmodernistische procédé voor de dichtkunst, dan in ieder geval niet voor het letterkundige essay.

Dat laatste lijkt me maar goed ook, want mij lijken al die uitgangspunten hopeloos. Ik wil best geloven dat de eenheid van het individu of de eenheid van de tekst of de eenheid van de werkelijkheid allemaal 'illusies' zijn en dat de werkelijkheid een grote chaos is. Maar als dat allemaal zo is, dan kan het hele idee van 'literatuur' ook alleen maar een illusie zijn, en zie ik niet dat er een speciale reden is om een dichtbundel van, pakweg, Peter Holvoet-Hanssen ter hand te nemen. Het internet staat vol met incoherente, onoorspronkelijke, vrijwel auteurloze teksten, die bovendien allerlei aannames die je in het dagelijks leven maakt 'ter discussie stellen' (een term die Vaessens en Joosten geregeld gebruiken), daar hoef je de boekwinkel niet voor binnen te stappen.

Waarom dus een postmoderne dichter lezen? Vaessens en Joosten beantwoorden deze vraag niet voldoende, in ieder geval niet voor mij. Ze gebruiken het begrip 'leesstrategie', en ze betogen uitgebreid dat een 'modernistische' leesstrategie niet volstaat om een postmodernistisch gedicht te lezen. Maar welke leesstrategie ik als eenvoudige lezer dan wel zou moeten volgen om een dichtbundel van Holvoet-Hanssen te kunnen waarderen, is mij na het lezen van Postmoderne poëzie niet duidelijk.

In hun epiloog schrijven de auteurs bijvoorbeeld: "We hebben het in dit boek steeds over leeswijzen gehad. Als afzetpunt schetsten we de moderne invalshoek, die teruggaat op de gedeelde beginselen van modernisme en New Criticism. De postmoderne lezer aanvaardt dat er open plekken (blijven) bestaan, en gaat ervan uit dat de dichter niet tevoren bewust betekenis in het gedicht legt." Deze passage is (net als veel vergelijkbare passages) negatief geformuleerd: een postmodernistische 'leesstrategie' gaat niet uit van de modernistische veronderstellingen. Maar wat je dan moet doen om voldoende genoegen te beleven aan een tekst om hem ook helemaal te lezen, weet ik nog altijd niet.

Er zit in ieder geval iets heel paradoxaals in om een boekje te moeten kopen van een bepaalde dichter om je door die dichter te laten vertellen dat het dichterschap een illusie is, of dat de wereld incoherent is. Een mens heeft geen dichters nodig om tot die conclusie te komen, zou je denken. Het lijkt wel alsof je vooral postmodernistische poëzie moet lezen om te kunnen laten zien dat je niet meer in achterhaalde modernistische conventies gelooft. Alsof de postmoderne leesstrategie een 'etiquetteregel' is, waarmee je kunt laten zien dat je weet hoe het hoort, zoals Verdaasdonk (2002) zegt.

Daar zit wat mij betreft ook het verschil tussen de Vlaamse schrijvers die Vaessens en Joosten behandelen, en de Nederlanders. Bij de Nederlandse schrijvers is er, bij alle postmodernisme, nog wel wat over dat ik, verstokte modernist die ik kennelijk ben, kan begrijpen: bij Oosterhoff is er een interessant spel met vormen (zoals blijkt uit de bewegende gedichten op zijn website http://www.tonnusoosterhoff.nl/), bij Duinker is er een duidelijk navoelbare zinnelijkheid ('Ik omhels je, dichtgeslibde haven./ Ik omhels je, kalme steen./ Voel mijn naaktheid.'), en in de bundel die Vaessens en Joosten van Anker bespreken ('Goede manieren') is wel degelijk sprake van een determineerbare inhoud, zonder al te veel 'open plekken'. Om het werk van de Vlaamse dichters te verklaren, moeten Vaessens en Joosten veel meer verwijzen naar het filosofische werk van postmodernistische denkers als Barthes en Derrida. Ik zie weinig in die denkers, en dus weet ik niet wat ik met de dichters aanmoet. En omdat ik nu eenmaal geen 'professionele lezer' ben, maar alleen maar voor mijn plezier lees, laat ik uiteindelijk teksten waarmee ik me geen raad weet, maar terzijde. Als ik graag fragmentarische teksten wil lezen, tik ik wel 'oehoeboeroe' in bij Google.

Met die laatste gedachte troost ik me maar. Ik houd heus veel van Vlaamse schrijvers en dichters, als het maar degelijke modernisten zijn zoals Boon of Claus of Lanoye. Vlaamse dichters als Holvoet-Hanssen zijn de verkeerde weg ingeslagen, door teksten te gaan schrijven waarvan niemand tot nu toe heeft weten uit te leggen waarom je ze zou moeten lezen. Het wachten is alleen maar op de postpostmoderne poëzie, zodat ik ook weer mijn horizon kan verruimen tot in ieder geval &eacutelén buurland.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl
Met dank aan Thomas Vaessens.

Literatuur
Vaessens, Thomas, en Jos Joosten. 2003. Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen. Vantilt, Nijmegen.
Verdaasdonk, Hugo. 2002. Etiquette-regels voor de analyse van literatuur. Neerlandistiek.nl 02.04, naschrift 2. (http://www.neerlandistiek.nl/02/04/naschrift2.html)












zaterdag 11 oktober 2003

Schrijven voor het beeldscherm

Door werkzaamheden rijden er geen treinen tussen Alphen a/d Rijn en Leiden Centraal en tussen
Twee jaar geleden had ik een plan voor een website die een naar bedrijf in de afgrond zou storten. LeugensvandeNederlandseSpoorwegen.nl zou die site heten en het concept was eenvoudig: de pagina's zouden gevuld worden met foto's van een NS-klok met daarnaast een informatiebord over aankomst van de treinen. Op het informatiebord zou bijvoorbeeld de trein van 7:12 naar Eindhoven aangekondigd staan met de mededeling 'Vertraging ongeveer 5 minuten'. Op de klok kon je duidelijk zien dat het inmiddels vijf over half acht was.

Door werkzaamheden rijden er geen treinen tussen Alphen a/d Rijn en Leiden Centraal en tussenDoor werkzaamheden rijden er geen treinen tussen Alphen a/d Rijn en Leiden Centraal en tussenZulke foto's waren in die tijd makkelijk te maken. Het enige wat je nodig had was een kaartje om op het perron van een station te komen en een digitale fotocamera. Het leek erop alsof de NS systematisch de vertragingen onderschatte: 'ongeveer vijf minuten' betekende 'minstens tien minuten', 'ongeveer een kwartier' betekende: 'het is beter om de volgende trein te nemen, maar dat zeggen we lekker niet'. Het maakte de spoorwegen duidelijk helemaal niets uit dat iedereen kon in een oogopslag kon zien dat de gegeven informatie onjuist was.

Inmiddels is het moeilijker geworden om zo'n website een beetje levendig te houden, maar dat komt eerder doordat de treinen beter zijn gaan rijden, dan doordat de spoorwegen zoveel beter zijn gaan communiceren. Want met de manier waarop de spoorwegen de reiziger bejegent is altijd iets vreemds aan de hand. Zo is er sinds een paar maanden een af en toe vrijwel onverstaanbare computerstem die het menselijke geluid is komen vervangen.

Ook schrijven voor een beeldscherm blijkt een vak te zijn dat de medewerkers van de NS niet bijzonder interesseert. Sinds enige tijd hangen er op de stations informatieborden waarop vertragingen worden gemeld. Met die borden is vrijwel altijd iets merkwaardigs aan de hand: de tekst is net iets langer dan strikt noodzakelijk zou zijn. Daarom moet hij in stukken worden gehakt, die na elkaar worden getoond. Het laatste stuk is dan opvallend vaak extreem oninformatief:



Bord 1: "Door werkzaamheden rijden er geen treinen tussen Alphen a/d Rijn en Leiden Centraal en tussen"
Bord 2: Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein. NS zet bussen in. Houdt u rekening
Bord 2: "Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein. NS zet bussen in. Houdt u rekening"
Bord 3: met extra reistijd.
Bord 3: "met extra reistijd."

Omdat de delen na elkaar worden vertoond, loopt de haastige reiziger naar Rotterdam Hofplein de kans dat hij alleen de tekst 'met extra reistijd' leest als hij het perron op komt rennen, tenzij hij de tijd neemt om te wachten op het tweede bord waaruit hij dan zou kunnen leren. Terwijl iedere tekst natuurlijk makkelijk zo kan worden herschreven dat hij wél op een bord zou passen. De zinsnedes 'rijden er' en 'houdt u rekening' zouden bijvoorbeeld - tenzij je vindt dat het belangrijker is om een persoonsvorm te gebruiken dan om snel te informeren - zonder bezwaar kunnen worden weggelaten.
Als je erop begint te letten, valt op dat er systeem inzit.


Bord 1: Door werkzaamheden rijden er geen treinen tussen Leidschendam-Voorburg en
Bord 1: "Door werkzaamheden rijden er geen treinen tussen Leidschendam-Voorburg en"
Bord 2: Rotterdam Hofplein. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd.
Bord 2: "Rotterdam Hofplein. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd."

De zin 'Houdt u rekening met extra reistijd' kan natuurlijk in ieder geval weggelaten worden. Als ik het goed uitreken, kan de informatie van deze tekst op één bord, als we ervan maken: 'Werkzaamheden tussen Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein. NS zet bussen in.'

Het merkwaardige is dat het gebruikte stramien kennelijk nog niet eens zo heel strak is. Een dag na de vorige maakte ik de volgende foto's, waarin dezelfde mededeling nét iets anders wordt verteld.


Bord 1: Door werkzaamheden rijden er tussen Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein geen
Bord 1: "Door werkzaamheden rijden er tussen Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein geen"
Bord 2: treinen. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd.
Bord 2: "treinen. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd."
Een stramien is er kennelijk wel, en wordt door de schrijvers van de borden soms zo stevig vastgehouden, dat ze maar liefst vier borden nodig hebben voor een tamelijk eenvoudige mededeling:

Bord 1: Door werkzaamheden rijden er vanaf 22:20 uur geen treinen tussen Roosendaal en Bergen op
Bord 1: "Door werkzaamheden rijden er vanaf 22:20 uur geen treinen tussen Roosendaal en Bergen op"
Bord 2: Zoom. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd. Door werkzaamheden rijden er
Bord 2: "Zoom. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd. Door werkzaamheden rijden er"
Bord 3: geen treinen tussen Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein. NS zet
Bord 3: "geen treinen tussen Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein. NS zet"
Bord 4: bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd.
Bord 4: "bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd."

Ik heb het idee dat je mensen zou moeten opleiden om te leren schrijven voor het beeldscherm altijd een beetje belachelijk gevonden. Maar bij de NS zou heel wat werk aan de winkel zijn voor een goede schrijftrainer -- als de NS zou willen luisteren.














maandag 3 februari 2003

Pionier mee!

Het is bijna tien jaar geleden dat het Internet in Nederland voor privé-personen werd opengesteld: op 1 mei 1993 begon een groepje hackers het bedrijfje XS4ALL waar je een abonnement op Internet kon nemen. Naar eigen zeggen streefden de oprichters naar vijfhonderd klanten na een half jaar en hadden ze die vijfhonderd al aan het eind van de eerste dag.

Daarna is er van alles gebeurd. In het begin overheerste de scepsis: wie van het nieuwe medium hield, moest regelmatig tijdens verjaardagsfeestjes de vraag beantwoorden 'of dat nou wat was, dat Internet'. Minstens tot 1998 kon je nog wel mensen ontmoeten die er niks in zagen, en die vol vertrouwen vertelden dat het allemaal iets was van voorbijgaande aard, dat het snel weer zou verdwijnen.

Die mensen liepen dan wel een beetje achter, want al in 1995 of 1996 kwam precies het omgekeerde sentiment in de mode: het Internet was De Toekomst. En de toekomst had een gouden randje, iedereen wilde deelhebben aan die toekomst. Wie van het nieuwe medium hield, moest zich af en toe inspannen om tijdens verjaardagsfeestjes de overspannen verwachtingen van de anderen wat te temperen.

Eigenlijk liepen ook die mensen op hun beurt achter, want al in 1995 hoorde ik voor de eerste keer een uitgever beweren dat 'de hype nu wel voorbij was'. Inmiddels leven we alweer een tijdje in een periode van scepsis. Ja, e-mail is wel leuk, en ja, af en toe zoekt iedereen wel eens wat op het Internet op, maar veel meer dan een speeltje is het toch eigenlijk niet. Er valt geen geld te verdienen op dat netwerk en dus hoeven we het, zeker in tijden waarin het economisch minder gaat, niet erg serieus te nemen. Het enthousiasme lijkt getemperd.

Het wordt tijd, kortom, voor een nieuwe liefdesverklaring.

In bijna elk huis in de westerse wereld staat een computer met een Internet-aansluiting. Achter ieder van die computers kan elk moment van de dag iemand plaatsnemen om op zoek te gaan naar informatie. De grote uitgeverijen en mediabedrijven gaan die informatie er niet op zetten, dat is nu wel duidelijk. Maar er zijn op zijn minst twee groepen die dat wel doen: wetenschappers (met subsidie van de overheid) en particulieren (zonder dat ze aan wie dan ook verantwoording hoeven af te leggen).

Het Internet groeit nog steeds, of in ieder geval: het waardevolle archief van miljoenen documenten over allerhande onderwerpen groeit nog elke dag. Op het gebied van ons vak biedt het net naar mijn schatting nu toch wel de informatie van een redelijk adequate handbibliotheek voor een neerlandicus met een redelijk brede belangstelling. Het aardige van die bibliotheek is echter dat iedereen erin mag snuffelen en dat dit ongetwijfeld af en toe ook gebeurt. Zo komen allerlei mensen met ons prachtvak in aanraking. Wie dat wil, kan vanachter zijn eigen bureau al redelijk op de hoogte raken met de stand van zaken in het vak en met vrijwel alle werken uit de canon van de klassieke Nederlandse literatuur.

En wat opwindend is: er valt nog zo ontzettend veel te doen, dat iedereen kan meedoen. We staan eigenlijk pas aan het begin van een lang pad dat wat mij betreft naar een duidelijk doel leidt: een Internet waarop de hele klassieke Nederlandse literatuur staat in auteursrechtenvrije edities, waarop je je bij wijze van spreken van de grond af aan via zelfstudie kunt verdiepen in het hele vak middels digitale inleidingen, handboeken en specialistische studies on line, waarop je meteen de laatste nieuwtjes op het gebied van taal en letteren kunt vinden, waarop je onmiddellijk alle informatie kunt vinden over elke geleerde van je gading (de ervaring leert nu wel dat je die geleerden in ieder geval niet moet vragen die pagina's zélf te onderhouden; de paar pagina's die deze of gene ooit enthousiast begonnen is liggen er over het algemeen nu dor en droog bij).

Als ik nu student Nederlands was, wist ik het wel. Iedereen die dat wil kan nu onmiddellijk aan de slag op het net: het is nog steeds tijd om te pionieren. De structuur van het Nederlandstalige Internet is wel dusdanig goed dat je met behulp van een paar zoekmachines en misschien een mailtje aan deze of gene binnen een middagje hebt vastgesteld welke onderwerpen er allemaal nog niet zijn afgedekt op het wereldwijde netwerk van computers. Een eigen website heb je vervolgens binnen de kortste keren in elkaar gezet.

En er valt zoveel te doen. Neem nu het Project Laurens Janszoon Coster. Ooit was het de grootste verzameling klassieke Nederlandstalige teksten op Internet, maar die functie is inmiddels wel overgenomen door de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren, die bovendien edities van een veel hoger niveau kan leveren. Dat wil echter niet zeggen dat Coster per se verloren is, want er valt nog veel te doen. De edities bij de DBNL zijn bijvoorbeeld per definitie nogal deftig en plechtstatig: met sommige teksten valt veel meer te doen. Bovendien kun je zo een eigen bloemlezing maken (in de vorm van een pagina met becommentariëerde links uit de verzameling van de DBNL en Coster en wat er verder nog op Internet rondzwerft. En ten slotte zijn er nog tienduizenden teksten waar ook de professionals van de DBNL voorlopig nog niet aan toe zouden kunnen komen.

Het werk is bevredigender dan het schrijven van 'alleen maar een scriptie': je merkt dat mensen over de hele wereld ineens gebruik kunnen maken van de informatie die je ze biedt. Het vraagt bovendien inventiviteit en creativiteit, maar geeft je bovendien het plezier dat je echt kunt bijdragen aan een prachtig ideaal: een virtuele bibliotheek. Het netwerk is bovendien zo jong dat er nog steeds prettig weinig echt vastligt: er valt nog steeds van alles te ontdekken aan de beste manier om iets op het Internet te presenteren. Over vijftig jaar zal ook de huidige periode gezien worden als de pionierstijd van het Internet. Pionier mee!

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Ligografie:
  • Geschiedenis XS4ALL, http://www.xs4all.nl/overxs4all/geschiedenis/index.html
  • Project Laurens Jz. Coster, http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/