Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 21 december 2000

Neerlandistische tijdschriften op Internet: 2001 en daarna

Hoe staat het ervoor met de neerlandistiek op Internet? Het gaat volgens mij de goede kant op. Een handjevol pioniers klaagt al jaren dat het allemaal veel te traag gaat, maar langzaam begint er toch schot in te komen. Er is een heus centrum voor tekstedities, de DBNL, er is het onvolprezen Neder-L, en er zijn her en der toch al aardig wat onderzoeksgroepen die op zijn minst minimale informatie geven over hun eigen werk. Zoals het er nu uitziet is Neder-L over een jaar eindelijk niet meer het enige neerlandistische tijdschrift op Internet. Als alles goed gaat, komen er volgend voorjaar minstens drie bladen bij, die zich exclusief op het Internet richten:
  • Neerlandistiek.nl: een wetenschappelijk tijdschrift met langere wetenschappelijke en gereviewde artikelen onder redactie van vijf neerlandici (Bregje Holleman, Matthias Hüning, Johan Koppenol, Marc van Oostendorp, Thomas Vaessens) van verschillende disciplines en onder technisch beheer van het NIWI.
  • Vliegende Bladen: een tijdschrift met zeer korte beschouwingen en observaties over taalkundige en letterkundige artikelen -- het soort stukjes dat in de taalkunde 'squibs' genoemd pleegt te worden. Dit tijdschrift zal vanaf dit voorjaar maandelijks moeten verschijnen, maakt deel uit van de Digitale Biblotheek van de Nederlandse Letteren en zal onder redactie staan van onder andere René van Stipriaan.
  • Taalschrift: de elektronische versie van het journalistieke magazine van de Taalunie zal (mogelijk onder een andere naam) ook dit voorjaar van start gaan. Hierin zullen vooral langere journalistieke stukken worden gepubliceerd.
De verschillende tijdschriften hebben precies verschillende doelstellingen. Bij elkaar (en in combinatie met enige bestaande websites voor het grote publiek, zoals http://www.onzetaal.nl/) kunnen ze de kern gaan vormen voor een nieuwe informatieinfrastructuur voor het hele vak -- een infrastructuur die gebaseerd is op het Internet. Neder-L vormt van deze infrastructuur overigens de spil: het is het informatieblad, de snelste vorm van informatieverstrekking, die hopelijk ook steeds meer boeksignalementen en congresbesprekingen zal plaatsen en die bijvoorbeeld de lezers precies op de hoogte kan stellen van wat er in de bladen allemaal gebeurt. Een beetje neerlandicus leest Neder-L en maakt op basis daarvan zijn keuze uit de andere tijdschriften.

Het is geloof ik ook niet de bedoeling van deze drie nieuwe initiatieven om te concurreren met de bestaande tijdschriften. De redacties van al deze tijdschriften zijn nog huiverig voor Internetpublicatie, maar als ze over deze angst heen zijn, zijn ze van harte welkom om met hun elektronische zusters te praten. Wij, en waarschijnlijk ook de andere redacties, zullen ze graag voorzien van alle technische adviezen om ook elektronisch te gaan publiceren. Ik ben pas tevreden als Nederlandse Taalkunde, Nederlandse Letterkunde, TNTL, Madoc, Taal en Tongval, en al die andere bladen ook elektronisch raadpleegbaar zijn, en als ze allemaal tegelijkertijd kunnen worden doorzocht in één groot digitaal elektronisch archief.

Zelfs dan zijn we overigens nog niet klaar. De ideale wetenschappelijke infrastructuur voor het vak ziet er volgens mij veel eerder als volgt uit. Er is een grote centrale database waar iedereen die dat wil al zijn artikelen en boeken in een eenvoudige digitale vorm kan aanbieden (laten we voor het gemak zeggen: Word-bestanden met een minimale hoeveelheid opmaakcodes). Alle materiaal wordt in die grote database opgenomen. Er is geen enkele redactionele controle, wat betekent ook dat alles te vinden is, ook onzin en onbetrouwbare gegevens. Auteurs kunnen nieuwe versies van hun artikelen maken, maar bij grote revisies blijft de oude versie ook gearchiveerd.

Een mens kan niet alles lezen, een mens heeft behoefte aan een zeef die de goede van de minder goede artikels scheidt, en daarom blijven de tijdschriftredacties ook bestaan. Auteurs bieden hun werk nog steeds bij die redacties aan, althans, ze maken hen erop attent dat ze een artikel aan de database hebben toegevoegd. De redacties behandelen zo'n artikel vervolgens op de manier die hen goeddunkt: ze laten hem beoordelen door proeflezers, ze stellen wijzigingen voor, enzovoort. Pas als een artikel de vorm heeft die de redactie van het tijdschrift bevalt, verleent zo'n redactie haar goedkeuring aan het desbetreffende record in de database.

Tijdschriften kunnen vervolgens hun eigen webpagina inrichten waarin ze op gezette tijden lijsten publiceren met door hen goedgekeurde artikelen. Ze kunnen deze artikelen desgewenst ook op papier afdrukken, er een kaftje omheen doen, en deze naar hun abonnees sturen. Daarnaast blijven de artikelen ook in de database staan met een labeltje: goedgekeurd door de redactie van Nederlandse Letterkunde. Een artikel kan op deze manier ook door meerdere redacties worden goedgekeurd, en dus tot meerdere tijdschriften tegelijkertijd behoren.

Vooral voor de lezers van neerlandistische tijdschriften -- en alle onderzoekers zijn natuurlijk ook lezers -- biedt dit scenario grote voordelen. Als lezer kun je in de database zoeken op elk willekeurig onderwerp. Als dat onderwerp heel klein en specialistisch is, of als je alles over dat onderwerp wilt weten en daarbij het risico durft te nemen om onbetrouwbare informatie tegen te komen, kun je kiezen binnen de *hele* database. Wie bang is overspoeld te raken, of alleen de echt betrouwbare stukken wil zien, kan ervoor kiezen zijn zoekopdracht te laten filteren door de redactie van TNTL, of Taal en Tongval, of allebei deze tijdschriften.

Omdat alle informatie in deze database terechtkomt, heeft het weinig zin om dezelfde onderzoeksresultaten op verschillende manieren op te schrijven en deze aan verschillende tijdschriften aan te bieden. Auteurs kunnen en moeten zich er dus toe beperken die resultaten één keer op te schrijven, maar dan wel zo duidelijk mogelijk. De hoeveelheid overbodige artikelen kan daarmee hopelijk iets worden ingedamd.

We zijn nog lang niet zover. De algemene database voor het hele vak is waarschijnlijk nog ver weg en wordt in deze vorm bijvoorbeeld nog door de redactie van geen enkel papieren of elektronisch tijdschrift nagestreefd. Uiteindelijk zou dat volgens mij wel zo moeten. Ik ben bereid eraan te werken.

Marc van Oostendorp






woensdag 23 februari 2000

Autocue

Holland Media Groep overweegt zijn zenders RTL 4, RTL 5 en Veronica binnenkort ook integraal via Internet uit te zenden. Doordat het steeds goedkoper wordt om televisieprogramma's te maken zal het aantal zenders binnenkort naar verwachting explosief toenemen. [...] Ook voor kleinere doelgroepen zullen er speciale, commerciële zenders komen. [...] Televisieprogramma's zullen 'on demand', op elk gewenst moment van de dag, bekeken kunnen worden.
(Persbericht HMG, 5 februari 2000)
"Goedemorgen, goedemiddag, goedenavond of goedenacht, kijkers. Ook vandaag heeft TV Taal weer voor elk wat wils. Om ons vijfjarig bestaan luister bij te zetten hebben we vandaag een extra uitgebreid programma samengesteld. Ik weet zeker dat velen onder u ons hele programma zullen willen bekijken, maar ik noem toch even de onderdelen."

"We beginnen met een nieuwe aflevering in onze serie "Nederlandse taalkundigen" met een extra lange uitzending over Jac. Van Ginneken. Voormalige leerlingen, familieleden en ordegenoten van deze kleurrijke Nijmeegse hoogleraar vertellen over zijn leven en werk. Ook ziet u enig archiefmateriaal en animaties die de denkwereld van Van Ginneken voor een modern publiek verduidelijken. Het belooft een spannende uitzending te worden waarin ook eindelijk het laatste woord wordt gesproken over Van Ginnekens houding tijdens de oorlog!"

"Daarna is het tijd voor onze wekelijkse Grote Fonologie Bingo, met veel zang, dans en fonologen. Ook vallen er weer allerlei aantrekkelijke prijzen te winnen! De hoofdprijs -- dat mag ik u wel verraden -- is deze keer een levenslang abonnement op Natural Language and Linguistic Theory. Elke maand krijgt u een nieuwe spannende natuurfilm via uw kabel in huis!"

"We vervolgen met onze gebruikelijke uitzending van het dagelijks nieuws. Van onze presentator Koos de Klaver hoort u zodadelijk wat de onderwerpen zijn. In de nieuwe aflevering van Het Taalkundige Boek hoort u wat een deskundig panel vond van recent verschenen taalkundige boeken en andere boeken over taal. Vandaag spreekt het panel over het zojuist verschenen vierde deel van het monumentale boek over taalverandering van William Labov."

"Daarna volgt een speciaal programma ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van TV Taal. Het is alweer vijf jaar geleden dat een groepje enthousiaste jonge taalkundigen uit de kringen van het toenmalige tijdschrift Neder-L besloot gebruik te maken van de mogelijkheden die het Internet bood om heel goedkoop een wekelijks programma aan te bieden aan iedereen die geïnteresseerd is in taal. De wekelijkse frequentie werd zoals u weet al snel omgezet in een dagelijkse en de kijkdichtheid van TV Taal is in de loop der tijd almaar gegroeid. De collegezalen puilen uit, het lijkt wel alsof ineens iedereen taalkunde wil studeren! Om dit grandioze succes te vieren, bieden we u een bijzondere, feestelijk programma aan, met interviews met de pioniers en veel onbekommerde vrolijkheid."

"Zoals elke dag sluiten we af met Linguïstisch Miniatuurtje: een taalkundige analyseert een gedicht of andere tekst naar keuze. Vandaag: Martine Ruiter over de syntaxis van het gedicht 'ik draai een kleine revolutie af' van Lucebert."

"U hoort het wel: het belooft een mooie avond te worden. Maar nu eerst: veel plezier bij de extra lange aflevering van "Nederlandse taalkundigen"!"




vrijdag 11 februari 2000

De gouden bergen van de naamkunde

Wat is in een naam? Voor sommigen vooral een zak met geld. Vorige week kreeg ik een brief onder ogen van een Noors namenbedrijf. In de brief vroeg het bedrijf aan het instituut waar ik werk om de tienduizend frequentste achternamen. Die bedrijven wilde het laten vastleggen als zogenoemde Internetdomeinnamen: jansen.nl, devries.nl, delange.nl, vanoostendorp.nl en nog zoveel mogelijk andere.

Het wordt steeds populairder om je eigen website en je eigen e-mailadres te hebben. Een e-mailadres als Gerrit@Komrij.nl klinkt niet alleen als een klok, maar kun je ook gemakkelijk meenemen als je van werkgever of van Internetaanbieder verandert. Dat adres kun je, net als je naam zelf, je leven lang meenemen. Het eindigt weliswaar op .nl, maar zolang je je wortels niet verloochenen wil, kun je het ook meenemen als je emigreert.

Het is dus erg aantrekkelijk om zo'n adres te hebben. Dat heeft het bedrijf van wie ik de brief las kennelijk ook begrepen, en er duiken her en der meer van dat soort bedrijfjes op. Wie nu het adres verkruijsse.nl weet te reserveren kan immers in de toekomst Piet@Verkruijsse.nl, Joop@Verkruijsse.nl én Marie@Verkruijsse.nl allemaal een prachtig e-mailadres aanbieden. Hij kan daar dan geld voor vragen, maar hij kan die adressen zelfs ook gratis aan de naamdragers aanbieden en ze af en toe vertroetelen met een advertentie. Omdat hij inzicht heeft in de e-mailcorrespondentie kan hij de advertenties nog op maat snijden ook. Wie veel berichten schrijft waarin gewag wordt gemaakt van auto's, krijgt op een goede dag een prachtige aanbieding van de firma Citroën in de elektronische brievenbus.

Daar komt nog bij dat zo iemand in één klap een groot aantal namen voor websites ter beschikking heeft (http://www.piet.verkruijsse.nl/), die eventueel ook met allerlei advertenties kunnen worden opgetuigd. Het is daarvoor niet nodig dat degene die die Internetnamen registreert zelf ook maar enige connectie onderhoudt met iemand die Verkruijsse heet. Hij hoeft alleen maar de eerste te zijn die op het idee komt de namen vast te leggen. Vandaar dat het bedrijfje waarvan ik die brief onder ogen kreeg zoveel belangstelling had voor de frequentste 10.000 namen in Nederland.

Natuurlijk is het instituut waar ik werk niet op het voorstel ingegaan: onderzoeksinstellingen zijn er niet om bedrijven aan een monopolie te helpen. De brief heeft mij trouwens meteen wel een interessant avondje surfen bezorgd, toen ik van zoveel mogelijk kennissen, vrienden en collega's probeerde te achterhalen of ik hun naam nog kon kopen. Neem mijn mederedacteuren. De adressen http://www.verkruijsse.nl/ en http://www.salemans.nl/ zijn nog vrij; http://www.kuiper.nl/ behoort aan een bureau voor ruimtelijke ordening; http://www.coppen.nl/ is al wel vergeven maar het is nog niet helemaal duidelijk aan wie. En wie aanspraak denkt te maken op een e-mailadres dat eindigt op vanOostendorp.nl kan deze tegen kostprijs van een paar gulden verkrijgen bij
Marc@vanOostendorp.nl

Voorbeelden van namenbedrijfjes: http://www.basenames.nl/, http://www.internetadres.nl/, http://www.nameplanet.com/, http://www.realnames.com/.




zondag 16 januari 2000

Een digitale ivoren toren voor de geesteswetenschappen

Heerste er vijf jaar geleden in ambtelijke kringen nog vooral desinteresse en cynisme over alles wat met het Internet te maken had, ineens is digitialisering een buzzword. Een eerzaam onderzoeker kan de straat niet op, of hij wordt besprongen door een ambtenaar die hem wil overhalen een database samen te stellen. Dan moet je pas echt op je hoede zijn. Nu heeft het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen van NWO weer een nota doen uitgaan, onder de titel Een Digitale Bibliotheek voor de Geesteswetenschappen. Dat is heel verheugend, zou je denken. Tot je die nota daadwerkelijk begint te lezen.

In de inleiding wordt hoog van de toren geblazen. Er moet een virtuele digitale bibliotheek komen voor álle geesteswetenschappen én voor de cultuur. Wat de zin van die combinatie van vakgebieden is wordt niet duidelijk gemaakt. Uit het rapport blijkt vooral dat de digitale wensen van onderzoekers in de verschillende geesteswetenschappen minstens evenveel van elkaar verschillen als van onderzoekers in allerlei andere disciplines. Een database voor taal- en spraaktechnologie heeft voor een theoloog evenveel waarde als de gegevens van de Hubble-telescoop. Aan de andere kant zou een sociolinguïst wel eens heel vruchtbaar gebruik kunnen maken van de gegevens uit een sociologische database. Het heeft, kortom, behalve om ambtelijke redenen, weinig zin om de Geesteswetenschappen digitaal bij elkaar te zetten zonder na te denken over de onderlinge verbanden, en die met andere onderzoekers.

De opsteller van de nota heeft ook weinig oog gehad voor de veranderingen die het Internet echt teweeg kan brengen -- dat iedereen met iedereen heel gemakkelijk kan samenwerken; de mensen van het onderzoek met de mensen van de cultuur, de mensen van de archieven met de mensen die om zogenaamd oneigenlijke redenen geïnteresseerd zijn (laten we zeggen om de eigen familiegeschiedenis na te speuren). Volgens deze nota moet er met niemand buiten het officiële academische onderzoek samengewerkt worden; de onderzoekers van de universiteiten moeten alles zelf doen, en ook vooral verder niet nadenken over de manier waarop het onderwijs of het grote publiek iets aan al hun materiaal zou kunnen hebben. "Educatieve projecten en projecten voor het grote publiek kunnen [...] beter niet met onderzoeksprojecten gecombineerd worden, tenzij speciaal rekening gehouden wordt met de wensen van de onderzoekers", stelt de nota, en vervolgt: "Onderzoeksprojecten op basis van digitaal materiaal bieden wel een interessant uitgangspunt voor het opzetten van educatieve projecten en publieksprojecten." Met andere woorden, als anderen eventueel de door de onderzoekers bijeengebrachte Verzamelde Werken van Jacob van Maerlant -- een project dat in deze nota zo vaak genoemd wordt dat je de indruk krijgt dat dit er in ieder geval wel zal komen -- willen gebruiken om iets aan scholieren of aan het brede publiek te vertellen, mogen ze hun gang gaan. Maar vraag dit alles niet aan de onderzoeker.

Die onderzoeker stelt in de beslotenheid van zijn digitale ruimte een wetenschappelijk verantwoorde editie samen ten bate van zijn collega, zonder zich erom te bekreunen dat precies hetzelfde materiaal met een paar filters gemakkelijk geschikt kan worden gemaakt voor andere geïnteresseerden, terwijl dit niet eens ten koste hoeft te gaan van de wetenschappelijke kwaliteit van zijn bestanden. De nota is er zoals gezegd zelfs expliciet tegen dat de onderzoeker zoiets vernieuwends doet. Zoals de nota ook geheel voorbijgaat aan het feit dat mensen zonder doctorandusdiploma soms op het Internet dingen doen waar je als onderzoeker iets aan hebt, al is het maar als onderzoeksobject. Ik heb zelf een verzameling links naar websites in streektalen gemaakt, die materiaal biedt voor bijvoorbeeld onderzoek naar verschillen in dialectattitude tussen regio's. Ook dat valt niet binnen de door NWO goedgekeurde activiteiten. 'Een digitale ivoren toren voor de Geesteswetenschappen' was een betere titel voor de nota geweest.

Wie geïnteresseerd is in sterrenkunde kan via Internet de prachtigste onderzoeksresultaten op zijn scherm krijgen: foto's, uitleg over projecten, rapportages. Voor een belangrijk deel wordt die voorlichting gedaan door de onderzoeksinstellingen zelf. Wie vorig jaar ineens geïnteresseerd raakte in het werk van de Nederlandse natuurkundigen 't Hooft en Veltman, kon daar in een mum van tijd een heldere uitleg over krijgen -- op de pagina's van 't Hooft. In die vakken is het kennelijk niet nodig om een enorme barrière te leggen tussen de leek en de vakman. Waarom zou dat dan in de geesteswetenschappen wel moeten?

Er zijn meer lacunes aan te wijzen. Bepaalde respectabele vakgebieden in de Letteren ontbreken bijvoorbeeld volledig of nagenoeg volledig. Zo krijg je de indruk dat met 'taal en spraak' vooral 'taal- en spraaktechnologie' wordt bedoeld, en dat er in ieder geval gekozen is voor het moderne Nederlands. Andere talen komen nauwelijks aan de orde, maar ook dat er misschien wel eens taalkundigen geïnteresseerd zouden kunnen zijn in corpora van teksten van voor de twintigste eeuw, is de notaschrijver ontgaan. Zo iemand zou namelijk meestal meer baat hebben bij een redelijk omvangrijke collectie met allerlei soorten teksten van allerlei soorten auteurs en dat is wat we volgens de nota nu net niet moeten hebben. (De Verzamelde Werken van Jacob van Maerlant zijn vooral voor allerlei soorten onderzoek natuurlijk heel geschikt, maar nu net niet om een doorsnede van het Nederlands uit Jacobs tijd te krijgen.)

Bovendien ontbreken er heel wat toepassingen die een digitale bibliotheek zou kunnen hebben. Bijna alle aandacht gaat uit naar het verzamelen van primaire bronnen -- corpora en databases. Er wordt gesuggereerd dat de komst van deze bronnen van de geesteswetenschappen pas échte wetenschappen zullen maken: "De inmiddels klassiek geworden uitspraak 'de bibliotheek is het laboratorium van de geesteswetenschapper' krijgt daarmee voor het eerst een reële betekenis". Maar veel onderzoekers hebben helemaal geen behoefte aan overstelpende hoeveelheden materiaal -- zelfs de informanten voor de nota zélf bleken over het algemeen al die digitale middelen belangrijker te vinden voor het vakgebied als geheel dan voor hun eigen onderzoek. Toch hebben die onderzoekers baat bij elektronische middelen, bijvoorbeeld als publicatiemedium. Een belangrijk communicatiemiddel als Neder-L wordt (voor zover ik kan nagaan) nergens genoemd, noch de gedachte dat er misschien depots van (ongepubliceerde) artikels, en dat er geredigeerde digitale tijdschriften zouden moeten komen.

Zoals er ook geen aandacht wordt besteed aan het gebruik van het Internet zélf als onderzoeksobject voor mensen die belang stellen in allerlei aspecten van de moderne taal en cultuur. Moeten er geen goed geannoteerde lijsten komen van primaire en secundaire bronnen die nu al buiten de digitale ivoren toren zijn opgebouwd? Moeten sommige websites niet ergens gearchiveerd worden, zodat hun materiaal niet verloren gaat als de eigenaars het bijltje erbij neergooien? Moeten er geen digitale instrumenten worden ontwikkeld om het Corpus Internet te kunnen bestuderen? Op dat soort vragen gaat de nota niet in. De 'digitale bibliotheek' van NWO is goed beschouwd een heel gewone bibliotheek die toevallig gedigitaliseerd is zodat je er snel in kan zoeken. Met een stevige muur eromheen, zodat niemand naar binnen kan die niet minstens een doctoraaldiploma van de juiste faculteit op zak heeft. Een echte visie op het wezen van de digitale ruimte, en de veranderingen in denkwijze die deze voor de onderzoeker meebrengt (de geïnteresseerde leek kan als het ware elke dag op je vingers meekijken; je kunt heel makkelijk gebruik maken van materiaal dat anderen voor je verzamelen, maar er moet een standaard bedacht worden voor de manier waarop dat soort verrijkingen worden opgeslagen; het grote woelige Internet zélf zou wel eens een belangrijk onderzoeksobject kunnen worden voor contemporain onderzoek; enzovoort) ontbreekt.

Ach, zou je kunnen denken. Er wordt toch in ieder geval geld in digitalisering gestoken? En iedereen zou toch al heel blij zijn als in ieder geval die editie van Van Maerlant er is? Daarmee is toch niets verloren? Ik zou heel blij zijn met die digitale Van Maerlant. Maar volgens mij is ook deze nota weer een gemiste kans: weer heeft niemand zijn nek durven uitsteken, weer is er geen visie ontwikkeld. De desinteresse en het cynisme zijn er in ambtelijke kringen en bij de meeste onderzoekers nog steeds. Al zijn ze door de hype wat ondergronds geraakt.

Marc van Oostendorp oostendo@euronet.nl

Dr. E. Viskil. Een digitale bibliotheek voor de geesteswetenschappen. Aanzet tot een programma voor investering in een landelijke kennisinfrastructuur voor geesteswetenschappen en cultuur. NWO-Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen, december 1999.