Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

woensdag 29 januari 1997

De toekomst van het boek

Er verschijnen te weinig boeken over de toekomst van het boek. Er verschijnen trouwens ook veel te weinig Web-sites, CD-ROMs, televisieprogramma's en computerspelletjes die dat onderwerp behandelen. Iemand die geinteresseerd is in boeken en in techniek moet zich voor de bevrediging van zijn leeshonger soms richten tot de vreemdste bronnen. Het kan maanden duren voordat zij weer een verstandig woord tegenkomt.

De meeste schrijvers in The Future of the Book leveren dergelijke verstandige woorden. De redacteur, Geoffrey Nunberg, heeft dan ook de creme de la creme van de humanistische hypertekst-geleerdheid bij elkaar gebracht: Carla Hesse, James J. O'Donnell, Paul Duguid, Geoffrey Nunberg, Regis Debray, Patrick Bazin, Luca Toschi, George Landow, Raffaele Simone, Jay David Bolter en Michael Joyce. Umberto Eco, directeur van het Center for Semiotic and Cognitive Studies van de Universiteit van San Marino dat het congres organiseerde waarvan deze bundel de neerslag is, schreef een nawoord.

In dat nawoord merkt Eco op dat hij al bij aanvang van het congres verwachtte dat minstens een spreker de woorden van Victor Hugo aan zou halen: Ceci tuera cela. Het werden er twee, Duguid en Nunberg, en geen van beiden kon de verleiding weerstaan om op te merken hoe de stand van zaken veranderd lijkt sinds Hugo's (en Quasimodo's) tijden. De aartsdeken in de Klokkenluider van de Notre Dame bedoelde met ceci het boek en cela de architectuur. Tegenwoordig gaat de discussie eerder over het boek als cela en ceci als de architectuur van de computer. Beide auteurs en Eco waren bij het schrijven waarschijnlijk nog onbekend met het feit dat ongeveer tegelijkertijd met The Future of the Book een verfilming door Disney zou uitkomen van The Hunchback of Notre Dame. Een verfilming die voor een belangrijk deel steunt op computer-technieken en waarschijnlijk nu al meer bezoekers heeft getrokken dan er ooit Hugo hebben gelezen.

Een bijzonder aardige bijdrage is die van James O'Donnell, getiteld The Pragmatics of the New: Trithemius, McLuhan, Cassiodorus waarin hij drie manieren om te reageren op nieuwe technieken uiteenzet, waarvoor de drie mannen uit de titel als voorbeelden gelden.

Johannes Trithemius schreef in 1492 een boek De Laude Scriptorium, waarin hij zich afzette tegen de boekdrukkunst. O'Donnell laat zien dat Trithemius' argumenten (en die van zijn tijdgenoten) eigenlijk stuk voor stuk valide waren: doordat alle gedrukte kopieen van een boek hetzelfde zijn, werd collationeren inderdaad onmogelijk; het goedkope papier dat voor gedrukte boeken gebruikt werd was inderdaad minder houdbaar; en er slopen inderdaad meer slordigheden in de incunabelen dan in de handschriften. Bovendien had hij gelijk in zijn hoofdargument, dat introductie van drukmachines het kloosterleven (van de Benedictijnen) zoals dat tot dan toe gefunctioneerd had behoorlijk zou ontwrichten. Toch heeft zijn werk zoals bekend weinig kunnen tegenhouden en schreef hij zelf in 1515 al over 'ars illa mirabilis et prius inaudita imprimendi et characterizandi libros.' Hij was volgens O'Donnell dan ook geen echte tegenstander van de nieuwe technologie, hij zag alleen niet hoe het kon worden geintegreerd in het kloosterleven. Dat heeft hem, en de kloosters als centra van geleerdheid, uiteindelijk de das omgedaan.

Marshall McLuhan, 'the anti-Trithemius of our time' was juist te enthousiast en volgens O'Donnell te theoretisch. Doorlopend bezig visies te ontwikkelen over de Gutenberg Galaxy, de global village en the medium is the message, vergat hij een school te stichten. Volgens O'Donnell is het zelfs in principe onmogelijk om McLuhan na te volgen; hij vraagt de lezer af te zien van het intellectuele raamwerk dat de technologie hem biedt. Maar er is geen mens die dat kan, want die handeling gaat in tegen de basisbeginselen van de menselijke rationaliteit. Het beeld dat O'Donnell van McLuhan schetst is er daarmee een van een inspirerende theoreticus die echter uit de aard der zaak te weinig invloed heeft kunnen uitoefenen op de reele gang van zaken.

De laatste persoon is ten slotte Cassiodorus, over wie O'Donnell zijn proefschrift ooit heeft geschreven. Bij het schrijven van dat proefschrift ontdekte hij dat Cassiodorus niet voldeed aan het romantische idee dat van de man leeft - de man die eigenhandig de klassieke beschaving gered had van het barbarendom door de monniken te leren de oude schrijvers te kopieren. Eerder bestond het leven van Cassiodorus uit proberen, mislukken, de plannen bijstellen, opnieuw proberen en uiteindelijk mislukken. De religieuze gemeenschap waar hij toe behoorde was enkele jaren na zijn dood al verdwenen. Een serieuze kopiistencultuur begon pas 150 jaar later.

O'Donnell schrijft dat het hem na zijn proefschrift vele jaren gekost heeft om in te zien dat er van deze mislukkeling toch iets te leren valt. Anders dan Trithemius raakte hij niet in paniek door de invoering van nieuwe technieken, maar hij probeerde deze toe te passen voor het goede doel. Hij werd anders dan McLuhan niet zo overdreven enthousiast van het nieuwe dat hij oude bestaande instituties voortijdig afschreef. Maar het belangrijkste verschil met de andere twee was dat hij zich niet overgaf aan eindeloze theoretische speculaties over hoe goed of hoe slecht de techniek was. Hij stroopte de mouwen op en maakte er het beste van. Dat hij daarbij uiteindelijk mislukte, is van ondergeschikt belang.

In de discussie over het einde van het boek en de nieuwe media wemelt het van de McLuhans en de Trithemiussen. Dan is het prettig om eens wat in de geest voor Cassiodorus te lezen. Daarvoor staan in deze bundel enkele goede bijdragen. Een genot om te lezen, om daarna zelf de handen uit de mouwen te slaan en te beginnen.

Marc van Oostendorp, oostendo@euronet.nl

Geoffrey Nunberg, red., The Future of the Book. Berkeley/Los Angeles, University of California Press, 1996. With an afterword by Umberto Eco.

woensdag 1 januari 1997

Drie voor twaalf

De kerstpuzzel van Neder-L heeft drie inzendingen opgeleverd en geen van de drie is geheel foutloos, al zitten ze alle drie wel dicht tegen de foutloosheid aan. Ik stelde in die puzzel twaalf vragen waarop het antwoord op het Internet gevonden kon worden. Die antwoorden moesten dan ook vergezeld gaan van een vindplaats op het Net. Hieronder geef ik de antwoorden die volgens mij de juiste zijn.

1. Welke spelling is volgens het nieuwe Groene Boekje de juiste: bloes of blouse?

Het juiste antwoord luidt: ze zijn allebei goed. Er zijn verschillende elektronische Groene Boekjes op het Net die onvoldoende betrouwbaar blijken. Een deelnemer had in Delft gekeken en daar alleen _blouse_ gevonden. Dat antwoord kon de jury niet goedkeuren. Veel betrouwbaarder blijkt de lijst op http://206.48.177.73:80/spelling/, waar een tweede deelnemer naar verwijst. De derde deelnemer vond het goede antwoord op een andere plaats, bij het Ministerie van OC&W (http://www.minocw.nl/spelling/voorkeur.htm). Nog een plaats waar het juiste antwoord gevonden had kunnen worden is in het dossier Spelling van de Volkskrant.

2. Welke Franse dichtregel zou model hebben gestaan voor 'Onder de maan schuift de lange rivier?'

Om het antwoord op deze vraag te vinden moest men eerst weten dat dit een regel van Van Ostaijen is. Intikken van de regel in een goede zoekmachine zoals Hotbot levert meerdere vindplaatsen voor dit gedicht op. De auteursnaam staat er steeds bij vermeld. Vervolgens kon men op zoek gaan naar meer informatie over Van Ostaijen. In een special over de dichter in de Brakke Hond verscheen een artikel van Paul Claes, waarin deze uiteenzet dat de regel ontleend is aan Apollinaires regel 'Sous le pont Mirabeau coule la Seine.' Twee van de inzenders vonden dit antwoord, met de genoemde vindplaats. Een moest het antwoord schuldig blijven.

3. Wat is het verschil tussen s-domination en c-domination volgens Chomsky?

Het antwoord op deze vraag is door alle drie de inzenders gevonden. Twee vonden het in het Utrechtse Linguistic Lexicon: A c-dominates B if every segment of A dominates B, A s-dominates B if some segment of A dominates B. De derde verwijst naar http://www.entmp.org/linguistics/synthinar/s2. De definitie daar is echter onduidelijk en niet helemaal juist.

4. Welke Nederlandse taalkundige laat zich 'Lichtende God van de Taal' noemen?

Alle drie de deelnemers zeggen: Sjors van Driem en verwijzen naar http://www.vpro.nl/www/vpro-digitaal/wetenschap/ARCHIEF/bhut.htm. Inderdaad wordt die naam daar zo gespeld. Feit is echter dat de geleerde in kwestie zelf zijn voornaam schrijft als George (zie bijv. http://iias.leidenuniv.nl/hst/himalaya/project.html). Na rijp beraad heeft de jury besloten de spelling Sjors toch goed te keuren.

5. In welk dialect wordt op de volgende manier tot tien geteld: I`e`en, twi`e`e, drie"e, viere, vuuve, zesse, zeevne, achte, neegne, tiene...

Het antwoord, het dialect van Roeselare, is te vinden op de dialectverzameling van Roger Thijs. Twee deelnemers vonden het, en een wist het niet.

6. Wat is de oudste Middelnederlandse tekst waarin de duivel een lichamelijk gebrek vertoont?

Alle drie de lezers wisten dat het Mariken van Nieumeghen was, maar alle drie verwijzen ze naar de tekst van dat stuk op http://www.dds.nl/~ljcoster/marieken/. Dat is niet goed: die tekst bewijst op zichzelf niet dat er geen oudere bronnen zijn waarin de duivel een gebrek heeft. Een betere vindplaats is de column van Willem Kuiper over dit onderwerp in de archieven van Neder-L. De jury geeft overigens toe dat dit artikel bijzonder moeilijk is terug te vinden.

7. Wie is voorzitter van de wetenschapscommissie van het BBN?

Door alle drie de inzenders gevonden op de pagina van het BBN: mw. M.A. Schenkeveld-van der Dussen.

8. Wat is de titel van het proefschrift van Marijke Meijer Drees?

Ook dit antwoord is door alle drie de inzenders gevonden: De treurspelen van Thomas Asselijn (ca. 1620-1701). Dit is te vinden op http://www.let.ruu.nl/departments/nl/nlren/bio.html#meijer.

9. In welk jaar verhuisde Willem Bilderdijk naar Haarlem?

Alweer drie keer goed: 1827. Dit was te vinden op de Bilderdijk-tentoonstelling van de KNAW.

10. Welke drie soorten informatie worden opgenomen in de SignPhon-gegevensbank?

1) gegevens over de 'structurele' eigenschappen van het gebaar. 2) niet-structurele eigenschappen van het gebaar, zoals de pragmatische of sociolinguistische context waarin het gebaar meestal gebruikt wordt. 3) niet-taalkundige informatie, zoals de naam van de informant, de datum van codering, etc. Door alle drie de deelnemers gevonden op http://oasis.leidenuniv.nl/hil/sign-lang/signphon.htm#structure.

11. Hoe heet de hoofdpersoon in J. van Ginnekens Roman van een Kleuter?

Het antwoord, Keesje, is te destilleren uit de online editie van de Roman. Alle drie de deelnemers hebben dit gevonden.

12. Hoeveel literaire prijzen zijn er toegekend aan de schrijver A. Alberts?

Dat zijn er 5 (of 4, naar gelang de definitie van een literaire prijs), zoals is na te lezen op de uitstekend verzorgde pagina's over deze schrijver van Herman Jansen. Ook dit was drie keer goed.

Achteraf blijkt de samenstelling van de vragenlijst niet ideaal: de moeilijkste vragen zaten in het begin. In ieder geval zijn er een paar mensen die succesvol hebben deelgenomen, en uit de reacties maak ik op dat er enkele tientallen het hebben geprobeerd. Een deelnemer naderde het ideaal van foutloosheid het dichtst: alleen de door hem gegeven vindplaats voor vraag 6 was niet juist. Verder had hij alles gevonden. De winnaar is daarom Gosse Bouma.