maandag 22 december 2014

De verscheurdheid van de professionele lezer

Door Marc van Oostendorp


De retoricus Longinus beschreef de kracht van goede toespraken zonder dat hij er blijk van gaf dat hij ooit naar een redenaar geluisterd had. Zijn voorbeelden waren mensen als Demosthenes – die was toen hij schreef allang dood. Hij had dus gewerkt met een afgeleide – de geschreven teksten.

Piet Gerbrandy haalt dit detail een paar keer aan in zijn essaybundel De jacht op het sublieme. Hij moet er iets in herkennen, want zijn eigen manier om met taal en literatuur om te gaan hangt van soortgelijke paradoxen aan elkaar. Hij noemt de taal vooral iets lichamelijks, dankzij het ritme en de stem en de lichaamshouding, maar hij zit liever in zijn studeerkamer dan dat hij naar een voordracht of een lezing gaat. Hij is geïnteresseerd in het sublieme, hetgeen dat zo overrompelend is dat je erdoor van je stuk wordt gebracht, maar hij benadrukt ook dat hij een professionele lezer is, die heel veel teksten 'door [z]ijn handen' laat gaan, en daar vast niet iedere keer van door zijn stuk laat gaan.

Wat is subliem? Longinus schreef er dus al over, maar de term is in de moderne literatuur geherintroduceerd door Edmund Burke (1729-1797). Burke bedoelde er van alles mee, maar niet speciaal de dingen die je op je studeerkamer kunt genieten.

Een schoone historie van den Ridder met dat Kruyce : Hoofdstukken 16 en 17



Een schoone

Historie van den Ridder met dat Kruyce,

genaemt prins Meliadus,
den eenighgeboren zoon van den keyser Maximiliaen uyt Duytslandt.

Heel wonderlijck en vermakelijck te lesen voor de jeught.


[zoals gedrukt te Amsterdam z.j. door Michiel de Groot]






zondag 21 december 2014

Tentoonstelling over Arnon Grunberg verlengd tot 15 maart 2015

Grunberg onder de loep tijdens publiek toegankelijke lezingenreeks

Wegens succes wordt de overzichtstentoonstelling over Arnon Grunberg bij de Bijzondere Collecties van de UvA verlengd tot 15 maart 2015. Bij de tentoonstelling vindt een lezingenreeks plaats, genaamd Geesteswetenschappers over Grunberg. Deze reeks is publiekelijk toegankelijk en wordt georganiseerd in het kader van het Honorary Fellowship dat Grunberg op 30 oktober ontvangen heeft. Gelijktijdig met de tentoonstelling wordt in het Grunberglab de hersenactiviteit gemeten van vrijwilligers die Grunberg nieuwste Boek Het bestand lezen. Er zijn nog enkele meetingsplaatsen beschikbaar voor geïnteresseerden.

Tiecelijn 27. Jaarboek 7 van het Reynaertgenootschap

Op 7 december werd in Sint-Niklaas het zevende jaarboek van het Reynaertgenootschap voorgesteld. De lezer gaat zalige eindejaarsdagen tegemoet met 444 pagina’s leesvoer over een onovertroffen schurk.  Tiecelijn 27 begint met een thematisch deel (180 p.) dat de zes bijdragen bevat van het colloquium ‘Metamorfosen van een gemene vos’ dat op 24 april 2014 in Antwerpen (Universiteit Antwerpen, Liberaal Archief, m.m.v. o.a. het Reynaertgenootschap) plaatsvond. Het colloquium behandelde de core business van Tiecelijn: de lange ‘Nachlebung’ van de Reynaertmaterie van de middeleeuwen tot vandaag. Jef Janssens behandelt de Reynaert en Floris ende Blancefloer, Adelheid Ceulemans de Reynaertopera van August de Boeck en Raphaël Verhulst, Yves T’Sjoen en Els van Damme Reineke/Heineke Vos van Richard Minne, Lisanne Vroomen de graphic novel van René Broens en Marc Legendre, Kris Humbeeck L.P. Boons Wapenbroeders uit 1955 en Rik van Daele kijkt terug op FC Bergmans recente superproductie Van den vos.

In dit jaarboek bloeit werk van talentvolle jonge onderzoekers en literatoren. Naast Vroomen en Ceulemans publiceren Bjorn Schrijen (over moderne Reynaertmuziekbewerkingen) en Michaël Brijs (over Malpertuis van Jean Ray) interessante bijdragen over de lange Reynaertnaleving. De bijdragen van Schrijen, Brijs en van Paul Wackers (over moderne kinderbewerkingen van Reynaerts historie) sluiten naadloos bij het thematische gedeelte over de ‘metamorfosen’ aan.

Tiecelijn beperkt zich nooit tot de ‘matière renardienne’ alleen. Yvan de Maesschalck verkent de intrigerende roman Haas (1975) van de Fin Arto Paasilinna en hij bespreekt nieuw werk van Lies van Gasse (die opnieuw een cover voor Tiecelijn ontwierp) & Annemie Estor (Hauser / De Wereldbibliotheek) en van Paul Verhuyck (Inmiddels op aarde / De Arbeiderspers). De bijdrage over de picareske elementen in Haas sluit naadloos aan bij de zoektocht naar het ‘picareske’ in de Heineke de Vos-roman van Richard Minne.

Tiecelijn 27 bevat twee intrigerende vertalingen. Mark Nieuwenhuis verkent enkele dierentestamenten in de Latijnse literatuur van de oudheid en de middeleeuwen. Bob de Nijs vertaalde Ramon Llulls Dierenepos voor het eerst in het Nederlands. In deze Catalaanse tekst uit de dertiende eeuw speelt een gemene vossin de hoofdrol.

Hans Rijns stelt de vraag of de karakters van vos en wolf in de Reynaertverhalen en in de door G. Leeu in 1481 gedrukte Dialogus Creaturarum, Dat is twispraec der creaturen verschillen. Jan de Putter gaat uitvoerig in op de genreaanduiding ‘vite’ uit de Reynaertproloog. 

Tiecelijn zet stteds sterk in op de iconografie. In jaarboek 7 wordt werk besproken van Marc Legendre, de Praagse illustrator Oldich Jeelen (door Jack van Peer), Ernest van Huffel (+2013) en Caroline Coolen (door Christl van den Broucke). 

Het bibliografische aspect van de Reynaertstudie tot slot komt aan bod in de bijdragen van Steven van Impe over de belangrijke Reynaertcollectie van Wim Gielen (+2010), die nu volledig ontsloten is. Het nummer besluit met een update van de Bibliografie van de Nederlandse Reynaertbewerkingen van 1800 tot nu (2004-2014) door Willy Devreese. Tegen nieuwjaar is de aangevulde bibliografische lijst digitaal beschikbaar op www.reynaertgenootschap.beTiecelijn is ondertussen volledig digitaal te bekijken op de DBNL (t.e.m. jg 21) en op www.reynaertgenootschap.be. Ook Tiecelijn 27 staat reeds vanaf de dag van presentatie integraal op het net. Wie Tiecelijn wil volgen kan dit niet alleen via de website maar eveneens via https://nl-nl.facebook.com/pages/Reynaertgenootschap-vzw/368312377681.

Het reisverhaal van Coenraad Ruysch. Deel IV: Van de Mont Cenis tot Bologna

Deze maanden publiceren wij hier een kritische editie van het reisverslag van Coenraad Ruysch, verzorgd door Alan Moss van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hieronder staan links naar de tot nu toe verschenen delen:

Alan Moss heeft ook een eigen, informatieve, website.

Italiaanstalig Holland in de 17e eeuw

Door Marc van Oostendorp

Lodewijk Meyer (1629-1681) was taalgeleerde in een tijd dat het vak ertoe deed. Geïnspireerd door revolutionaire nieuwe ideeën van Spinoza en Descartes werd hij een vertegenwoordiger van wat de 'radicale Verlichting' genoemd wordt, een groep Europese intellectuelen die kritisch stonden tegenover het geloof en hun hoop hadden gesteld op de wetenschap. Door na te denken zou de mens de wereld kunnen verbeteren.

De taal was in het Verlichtingsstreven een instrument: mensen als Meyer gaven woordenlijsten uit waarin Nederlandse woorden opnieuw, en beter, en duidelijker werden gedefinieerd. Met een helderder taal zou je ook helderder kunnen denken.

De taal was daarnaast ook een onderwerp van onderzoek. Iedere taal was een uitdrukking van de universele logische denkkracht van de mens, dus door haar te bestuderen kon je iets over de natuurlijke logica leren. Tegelijk viel natuurlijk niet te ontkennen dat talen van elkaar verschilden; de vraag was hoe dat dan kwam. (Het antwoord was dat ieder volk nu eenmaal zijn eigen modes en fratsen had.)

zaterdag 20 december 2014

De betekenis (van 'tussen haakjes')

Door Marc van Oostendorp


Wat betekent het als je iets tussen haakjes zet? Ik probeerde deze week literatuur te vinden over deze belangwekkende kwestie, maar ik kon niets vinden. Misschien heeft er ooit weleens iemand over geschreven, maar een bloeiende tak van wetenschap lijkt de leestekenkunde niet te zijn.

Leestekens zijn de stiefkinderen van het taalonderzoek. Ze horen bij de geschreven taal; de meeste taalkundigen zijn daar minder in geïnteresseerd omdat ze vooral belangstelling hebben voor gesproken taal, die natuurlijker zou zijn. En degenen die de geschreven taal wél serieus nemen, richten zich dan weer vooral op spelling van woorden. Zoals dictees alleen gaan over verkeerde d's en t's, en nooit over een misplaatste puntkomma, zo richt ook het onderzoek zich vooral op het woordbeeld.

Ik kwam erop doordat ik een compliment wilde uitdelen op Facebook.

vrijdag 19 december 2014

Waarom...


door Bart FM Droog

 .. hebben veel dichtbundels die veertig, vijftig jaar geleden verschenen een voorplat (een archaïsch woord voor voorzijde van een boek) dat tien keer meer aan de eisen van nu voldoet dan boeken die recentelijk verschenen? 

Kijk maar - het bovenste boek, Bijbedoelingen van Victor E. van Vriesland, verscheen in 1972. De titel en auteursnaam zijn zelfs op postzegelformaat (het formaat waarop je de boeken in internetboekwinkels in eerste instantie aantreft) duidelijk leesbaar.

Iets dat niet gezegd kan worden van het onderstaande boeken uit 2014, de bundels Wolken schoven boven ons voorbij van Frans Depeuter, Mens Dier Ding van Alfred Schaffer en Molwerk van Frans Kuipers. Is er dan niemand die vormgevers en uitgevers vertelt dat de leesbaarheid van de titel en de naam van de auteur, óók op klein formaat,  toch wel een aandachtspuntje waard zijn?  



De maantalen en zonnetalen zijn al door Abram de Swaan ontdekt

Door Marc van Oostendorp

in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS, waar onder andere NRC Handelsblad uitgebreid aandacht aan besteedde.
Ik moest deze week vaak aan Abram de Swaan denken. Dat kwam doordat er een nieuw artikel verscheen

Het artikel is niet van De Swaan en er wordt ook in het geheel niet naar hem verwezen; maar het geeft een uitwerking aan een theorie die de Amsterdamse socioloog jaren geleden al naar voren bracht: die van het wereldtalenstelsel.

Volgens De Swaan kun je de talen van de wereld zien als een ingewikkeld planetenstelsel: sommige talen zijn als manen die draaien om andere talen, die dus planeten zijn.

donderdag 18 december 2014

Sjtómme Limburger

Door Leonie Cornips

Gé Reinders heeft maar twee coupletten in zijn lied Sjtómme Limburger van het album ‘As ’t d’r op aan kump’ nodig om het hart te raken van het onderzoek naar Taalcultuur in Limburg.

In het eerste couplet van Sjtómme Limburger introduceert Gé een ik-figuur die ons laat weten dat hij met rijke mensen op een boot voor het land van de vrijheid – Amerika – zeilt.  Op die zeilboot is het goed vertoeven: ‘Veur hadde radar, veur hadde cocktails, veur hadde cashew-neutjes, veur hadde ’t good’. En in de boot zit de ik-figuur ‘gezellig te aajhore in ’t Ingels’ met onder andere de gastvrouw. Maar opeens vertelt die gastvrouw dat ze in Nederland geboren is. En dan schuiven er spreekwoordelijke donkere wolken voor de zon; de gastvrouw die eerst zo gezellig kabbelend Engels met de ik-figuur spreekt: ‘ging Hollands kalle en waerde opins ’n Haarlemse kakmevrouw’. De ik-figuur weet zich geen raad. ‘Ich höb drie zinne Nederlands gekald, veulde ós allebei ter plekke verandere en zag: “If you don’t mind, I’d rather talk English now”.’ Weg is het gevoel van welbehagen en de goede sfeer is volledig bedorven. De ik-figuur voelt zich in zijn confrontatie met het Nederlands ‘weer eine sjtómme Limburger mit miene zachte G. Zónne kleffe zuiderling, klef wie aje sjlappe thee. Ich vinj det geveul neet good maar ’t zit heel deep in mien blood.’

Addenda EWN: Verorberen

Door Michiel de Vaan

verorberen ww. ‘opeten’

Middelnederlands verheurbeuren ‘aanwenden’ (Gent, 1419; met hypercorrecte h-), te veroerberne ‘te bewerken’ (1410–1430), veroorboort ‘gebruikt’ (1492). Vroegnieuwned. veroorboren (1500), verorbaren (1644) ‘gebruiken, gebruik maken van’, met reductie van de derde lettergreep ook veroorberen (1525), veroorbren(1648), veroirberen (1651), verorberen (1665). Laatstgenoemde vorm is de vroegste met korte o in plaats van lange oo. De betekenis ‘nuttigen, verteren’ vind ik voor het eerst in 1638 in een brief van Hugo de Groot (het oxhooft france wijn ... tsamen te veroorbooren), en frequenter vanaf 1660.

Afleiding met ver- van Mnl. orbaren ‘(land) bewerken ; gebruiken’, dat vanaf de 13e eeuw voorkomt, en dat zelf een afleiding is van oorbaar zn. ‘voordeel, opbrengst’. In de betekenis ‘spijs of drank nuttigen’ komt oirboren vanaf 1590 voor. Het ww. heeft in het Middelnederlands de vormen orboren (1276) en orbaren (1285), ongetwijfeld gesproken met lange oo-, vergelijk oorbaren en oorboren bij Kiliaan (1599). Mnl. orberen in Limburg, Brabant en Noordoost-Nederland werd wschl. als oorbeeren uitgesproken. Vanaf ca. 1650 wordt onbeklemtoond -boren verzwakt tot -beren. Met opvallende verkorting van beklemtoond oor

De R komt uit de kast

Door Marc van Oostendorp

Aan het eind van zijn proefschrift dat helemaal gaat over de [R] voor het Nederlands – dat is mijn favoriete soort boeken – haalt de Utrechtse geleerde Koen Sebregts onze Amerikaanse collega William Labov aan die taalwetenschappers indeelde naar de plaats waar ze hun werk deden: in de bibliotheek, het oerwoud, de studeerkamer, het laboratorium of op straat".

In de bibliotheek vinden we bijvoorbeeld de taalhistoricus, in het oerwoud de veldwerker die met uitsterven bedreigde indianentalen vastlegt, in de studeerkamer de grammaticus, in het laboratorium de psycholinguïst en op straat de sociolinguïst die vastlegt hoe er in het wild gesproken wordt.

Waarom wordt de R op zoveel verschillende manieren uitgesproken?  En hoeveel verschillende manieren zijn dat eigenlijk?

woensdag 17 december 2014

Grunberglezingen aan de UvA



Begin 2015 wordt aan de UvA een reeks lezingen gehouden rondom de Arnon Grunberg Tentoonstelling bij de Bijzondere Collecties. De lezingen zijn:

dinsdag 6 januari: Grunbergs realiteitshonger – Thomas Vaessens over Grunberg als journalist
 
maandag 12 januari: Grunberg N.V. Auteurschap in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid – Gaston Franssens over de ‘Grunbergformule’
 
maandag 19 januari: Economisch sadisme & literair masochisme – Saskia Pieterse over Huid en haar en de verhouding tussen economie en literatuur in deze roman

Pas verschenen: Een land van waan en wijs. Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur



Deze maand verscheen bij uitgeverij Atlas Contact Een land van waan en wijs, een nieuwe geschiedenis van de Nederlandstalige jeugdliteratuur, onder redactie van Rita Ghesquiere, Vanessa Joosen, Helma van Lierop Debrauwer.

Inhoud
Lange tijd waren jeugdboeken vooral een middel in de opvoeding: schoolboeken, heiligenverhalen en kinderbijbels zetten de toon, met soms een vrolijk verhaaltje tussendoor, of een centsprent. Hoe anders is dat nu: de jeugdliteratuur van vandaag biedt een even boeiend als rijk palet aan verhalen in tekst en beeld. Van uitnodigende prentenboeken tot spannende fantasieverhalen, van gedichten tot meisjesboeken en historische romans. De Nederlandstalige jeugdliteratuur is veelzijdig, en heeft zelfs internationale allure: Nijntje en Kikker, Bart Moeyaert, Guus Kuijer en Tonke Dragt oogsten ook buiten ons taalgebied succes. Een land van waan en wijs laat zien hoe de jeugdliteratuur zich de voorbije eeuwen heeft ontwikkeld: een verhaal van boeken, schrijvers en illustratoren, maar ook van uitgevers en critici – die er vaak een heel andere smaak op na houden dan de jonge lezers. En natuurlijk is het ook het verhaal van film, theater, televisie en games, die zich graag laten inspireren door de jeugdliteratuur, en tegelijkertijd het jeugdboek voor nieuwe uitdagingen stellen.


Rita Ghesquiere, Vanessa Joosen, Helma van Lierop Debrauwer (red.), Een land van waan en wijs. Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur. Amsterdam: Atlas Contact, 2014. 576 pagina’s. ISBN: 9789045027661. Prijs: € 34,99

Anneke Brassinga gebruikt geen woorden

Door Marc van Oostendorp

"Met kennelijk genot", meldde de jury van de PC Hooftprijs gisteren, " (her)gebruikt Anneke Brassinga bijna vergeten of in onbruik geraakte woorden, die in haar gedichten opnieuw worden geproefd en gesmaakt."

Dat klopt volgens mij niet: Brassinga gebruikt geen woorden. Althans, niet volgens het werk van de dichter zelf, en waarom zouden wij het beter weten? In haar werk, in het beeld van de wereld dat opdoemt in haar gedichten, leidt de taal haar eigen leven en wanneer iemand haar zou proberen te gebruiken, ontstaat er alleen maar onheil. En terwijl de hoofdzin "Brassinga gebruikt" te actief is, is de bijzin ("worden geproefd en gesmaakt") juist weer te passief: het is wel degelijk Brassinga die proeft en smaakt.

In haar laatste bundel, het onlangs verschenen Het wederkerige, staat het uitgelegd:

dinsdag 16 december 2014

P.C. Hooft-prijs 2015 voor Anneke Brassinga

Door Bart FM Droog

Het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde heeft maandag 15 december besloten de P.C. Hooft-prijs 2015 toe te kennen aan Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 1948), zo maakt de stichting op haar site bekend. Deze oeuvreprijs is dit jaar bestemd voor poëzie en wordt uitgereikt op een feestelijke bijeenkomst in het Letterkundig Museum, op donderdag 21 mei 2015, de sterfdag van de naamgever van de prijs, de dichter P.C. Hooft (1581-1647), onze grootste renaissancedichter. 

 
De P.C. Hooft-prijs 2015 voor het gehele oeuvre van Anneke Brassinga is toegekend op voordracht van een jury bestaande uit Wim Brands, Anja de Feijter, Rozalie Hirs, Erik Lindner en Maaike Meijer (voorzitter). Recente eerdere laureaten in het genre poëzie waren Tonnus Oosterhoff (2012), Hans Verhagen (2009) en H.C. ten Berge (2006). Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 60.000. 
 

“Wie gedichten van Anneke Brassinga leest, stapt binnen in een geestverruimend heelal van taal. In elk gedicht openen zich onvermoede vergezichten van zeggingskracht. De taal wordt omgekeerd, uitgekleed en weer opnieuw uitgedost totdat alle registers die er ooit in voorgekomen zijn weer meedoen. Deze dichter is werkelijk overal geweest, in talloze literaturen, tradities en milieus, van academie tot markt, straat en kroeg. Met kennelijk genot (her)gebruikt Brassinga bijna vergeten of in onbruik geraakte woorden, die in haar gedichten opnieuw worden geproefd en gesmaakt. De liefde voor de onuitputtelijke mogelijkheden van taal in poëzie is de constante van haar werk”, aldus de jury.

© foto: Kasper Vogelzang, 2013.

De Indo-Europeanen hebben nooit bestaan

Die Indo-Europeanen waarover je vroeger zoveel hoorde, bestaan die eigenlijk nog wel? Niet volgens een dik boek van de archeoloog Jean-Paul Demoule dat de afgelopen weken furore maakte in Frankrijk.

Het leek mij altijd de grootste ontdekking van de taalwetenschap van de afgelopen eeuwen: dat de meeste talen uit Europa en Azië familie zijn van elkaar, en uiteindelijk afstammen van dezelfde taal, het Indo-Europees, die misschien in de Caucasus gesproken werd, of in het zuiden van Turkije. Vandaaruit zijn ze ooit, duizenden jaren geleden allerlei richtingen op getrokken en hebben de grondslag gelegd voor het Hindi, het Nederlands, het Bulgaars, het Galicisch en allerlei andere talen.

Maar waar zijn die Indo-Europeanen dan gebleven? vraagt Demoule. Er zijn geen archeologische bewijzen voor een verovering door een volk van zulke grote delen van Europa. Nergens is een spoor te vinden van de Het is onduidelijk waar ze eigenlijk vandaan zouden zijn gekomen: daar zijn allemaal theorieën over (Scandinavië, de Caucasus, Zuid-Turkije) maar die zijn geen van allen erg aannemelijk. We hebben als enige bewijs van hun bestaan het feit dat de Indo-Europese talen zoveel op elkaar lijken. En dat zou ook op een andere manier verklaard kunnen worden.

Die Queeste vanden Grale, hoofdstuk 5


Die Queeste vanden Grale

zoals bewaard gebleven in het handschrift KB Den Haag 129 A 10
(Lancelot-compilatie)

Hoofdstuk 5:

Proefleesversie


maandag 15 december 2014

Pas verschenen: Op de hielen. Opstellen over recent Nederlands en Vlaams proza



Ter gelegenheid van de tiende editie van de postacademische cursus ‘Recente Nederlandse en Vlaamse letterkunde’, die jaarlijks door de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit in Nijmegen wordt georganiseerd, verschijnt Op de hielen. Opstellen over recent Nederlands en Vlaams proza.

De bundel, onder redactie van Jos Muijres en Esther Op de Beek, bevat de uitwerkingen van negen colleges over romans van bekende en minder bekende schrijvers, die de afgelopen jaren van zich hebben doen spreken. In een tijd waarin de literatuur het volgens doemdenkers zal gaan afleggen tegen de voortschrijdende mediatisering van de samenleving en waarin het culturele, historische en indirect economische belang van literatuur niet genoeg kan worden onderstreept, tonen de auteurs van de opstellen in deze bundel de rijkdom die verscholen ligt in de tekst. Ze doen dat onbevangen, zonder de blik af te wenden van de tijd en de cultuur waarin de teksten zijn ontstaan. Literatuur is in hun ogen immers altijd ‘betrokken’.

Literatuurcursussen aan de Radboud Universiteit Nijmegen



De Opleiding Nederlandse Taal en Cultuur en de Masteropleiding Letterkunde van de Radboud Universiteit in Nijmegen bieden komend semester twee cursussen aan die openstaan voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuur. Vanaf 10 februari 2015 wordt een reeks openbare mastercolleges over het verhalende proza van Tom Lanoye gegeven. Daarnaast vindt, vanaf 4 februari 2015, voor de tiende keer de postacademische cursus Recente Nederlandse en Vlaamse letterkunde plaats.

Proza van Tom Lanoye

In het voorjaar van 2015 organiseert de Masteropleiding Letteren van de Radboud Universiteit Nijmegen samen met het Vlaams Cultureel Kwartier en de Bibliotheek De Mariënburg voor de zesde keer de cursus ‘Letteren in de stad’. Zes openbare mastercolleges voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuur. In deze editie staan de romans en verhalenbundels van de Vlaamse schrijver Tom Lanoye, in 2012 schrijver van het Boekenweekgeschenk, centraal.

Wij eisen ijsvrij!

Door Marc van Oostendorp


Wat mensen ook goed kunnen: samen bidden en slogans roepen. Zet een groepje lieden bij elkaar en maak ze vroom of bijzonder verontwaardigd over het regeringsbeleid – binnen de kortste keren geven ze een demonstratie van dit wonderlijke vermogen.

Ik zag er afgelopen donderdag een demonstratie van, door de Britse psychologe Sophie Scott. Het was spectaculair en tegelijk heel simpel, jullie kunnen het best thuis ook eens proberen. Schrijf een paar zinnen op een stuk papier, geef dit aan een paar huisgenoten en vraag ze het tegelijkertijd voor te lezen.

Je zal iets opmerkelijks horen: ze kunnen het. Ze hebben het misschien nooit eerder samen gedaan, ze hebben jouw tekst nooit eerder gelezen, maar moeiteloos coördineren ze ineens hun ademhaling en komt iedere lettergreep er ongeveer tegelijkertijd uit. Kinderen kunnen het al; ik herinner me koude dagen op het schoolplein waar we het hele speelkwartier spontaan met zijn allen 'wij eisen ijsvrij' begonnen te roepen, tot er een leraar naar buiten keek en we er even spontaan bedremmeld het zwijgen toe deden.

Een schoone historie van den Ridder met dat Kruyce : Hoofdstukken 14 en 15



Een schoone

Historie van den Ridder met dat Kruyce,

genaemt prins Meliadus,
den eenighgeboren zoon van den keyser Maximiliaen uyt Duytslandt.

Heel wonderlijck en vermakelijck te lesen voor de jeught.


[zoals gedrukt te Amsterdam z.j. door Michiel de Groot]






zaterdag 13 december 2014

Addenda EWN: moei

Door Michiel de Vaan

moei zn. ‘tante’

Middelnederlands muje (1240), moye (1268) ‘tante van moederszijde’, volmoie ‘volle tante’ (1296), oude(r)moye ‘oudtante’, Nieuwned. moeye (1522), moey (1640) ‘tante’, petemoey ‘peetmoeder’ (1564). Na 1600 komt het woord in Holland en Zeeland ook met de klinker eu voor, bijv. meuy (Coster, 1615), petemeuy (Bredero, 1613, Cats, 1635), verkleind als meutgen, meutje (van Santen, 1620), meute (Westerbaen, 1653). In huidige Hollandse dialecten leven vormen voort als  meut ‘oude tante, oud wijf, bemoeial’ (West-Friesland) en meu ‘tante, oudtante’, meuzegger ‘neef, nicht’ (in de Hoeksche Waard).


Verwante vormen: Oudhoogduits holzmuoja, -mouwa ‘bosfee, heks’, Mhd. holzmuoje, -muowe ‘bosuil, bosspook’. Mnnd. moye, moige, moge ‘tante’. Uit WGm. *mōjōn-, een afleiding van het uit Proto-Germaans *mōder ‘moeder’ verkorte *mō-. Vergelijk met dezelfde betekenis ‘tante van moederszijde’ Oudhoogduits muoma, Mndd. mome, Duits Muhme, uit WGm. *mōmōn-. Dat is een geredupliceerde (herhalings-) variant van hetzelfde *mō-, waarschijnlijk als roepvorm in de kindertaal ontstaan (vgl. mama). Middelnederduits mone, mune, Mnl. moyne (1477), mod. dial. moene, moen (Brab.), heeft geen oude verwanten en komt in het Mndd. minder vaak voor dan mome. Het lijkt me daarom door dissimilatie van de tweede m te zijn ontstaan, dus mōme > mōne.

vrijdag 12 december 2014

’t Poldernederlands is toch echt iets aparts

door Jan Stroop


Op Wikipedia vind je ook een hoofdstuk over het Poldernederlands. Dat gaat over mijn ontdekking en beschrijving van dit sub-ABN. Een intrigerende passage in die tekst is de volgende:   
“Critici van het concept Poldernederlands wijzen erop dat het verschijnsel van de lager aangezette diftong op zichzelf niet nieuw is. De verlaging van de diftongen in de Hollandse dialecten is reeds sinds de zestiende eeuw gaande, zowel in het Nederlands als in de andere West-Germaanse talen.”

Wie deze critici zijn weet ik niet, maar ’t zijn zeker geen dialectologen, want die zouden nooit gesuggereerd hebben dat de verlaging in de Hollandse dialecten te vergelijken is met de verlaging die de essentie is van het Poldernederlands. In mijn boek Poldernederlands (1998) wijs ik dat verband al met argumenten van de hand.

donderdag 11 december 2014

Call for papers: Sociolinguistics Circle 2015



Call for papers: Sociolinguistics Circle 2015
Gent (België), 27 maart

Beschrijving van de conferentie
Na een succesvolle eerste editie in Groningen, kondigen we met plezier de tweede conferentiedag aan van de Sociolinguistics Circle, die zal plaatsvinden in Gent op 27 maart 2015. De Sociolinguistics Circle is een initiatief van een groep onderzoekers uit de Lage Landen (zie hieronder). Het doel van de conferentie is studenten en onderzoekers met een link met de Lage Landen samen te brengen om te praten over thema’s als taalvariatie, sociolinguïstiek en de sociale dynamiek van taal. Vooral studenten worden aangemoedigd zich voor deze conferentie aan te melden; de conferentie staat open voor onderzoek op alle niveaus.

Call for papers
Abstracts voor paper- en posterpresentaties (over om het even welke taalvariëteit) kunnen vanaf nu ingediend worden. We verwelkomen abstracts over onderwerpen binnen de variatielinguïstiek, sociolinguïstiek, linguïstische antropologie, dialectologie of gerelateerde disciplines. Abstracts van maximaal 300 woorden (exclusief bibliografische verwijzingen), opgesteld in het Engels of het Nederlands, kunnen naar sociolinguisticscircle@gmail.com worden gestuurd voor 12 januari 2015.