maandag 8 februari 2016

Smakelijk zingen

Door Bas Jongenelen, Johan Oosterman en Annemieke Houben

In Museum Meermanno ligt een bijzonder zestiende-eeuws manuscript: 10C26. Dat is het nummer waaronder het manuscript opgeslagen ligt. Het is een dun boekje met een feestelijke inslag. Het begint met een carnavaleske tekst, dan volgen er diverse wapenschilden van pseudo-adellijke heren als Apenborch en Druckingen (die een drol van stront op zijn helm heeft) en als laatste is een liedje waarvan de muzieknotatie uit narrenkoppen en eten en drinken bestaat. Het lijkt erop dat deze muzieknotatie een unicum is, maar dat is niet het geval.

Verscherping

Door Marc van Oostendorp



Ik ontdekte dat ik wetenschapper wilde worden toen ik als vijftienjarige op vakantie was in Frankrijk en we een rondleiding kregen door een oude boerderij. Onze gids wist over ieder ogenschijnlijk nietig detail – de lamp die daar hing, een scheur in een balk, een vreemd patroon in de deurmat – zo uitgebreid en enthousiast te vertellen dat ik dacht: dat wil ik ook. Over ieder klein detail dat ons omringt wil ik iets weten en iets te zeggen hebben.

Dan is de taalwetenschap een natuurlijke keus, want taal is overal om ons heen. En wanneer je je er eenmaal een beetje in verdiept ontdek je: talen zitten zo vernuftig in elkaar dat je al snel ontdekt dat je nauwelijks één detail kunt analyseren.

Daarom was het Taalportaal, dat we afgelopen zaterdag in Utrecht presenteerden, ook zo'n goed idee: een website waar zoveel mogelijk informatie over de zinsbouw, woordvorming en klankstructuur bij elkaar is gezet, zodat je bij iedere kwestie er van alles bij kunt halen. En dat niet alleen voor het Nederlands, maar ook voor het Fries, al een beetje voor het Afrikaans en hopelijk ooit ook nog voor andere verwante talen zoals het Jiddisch en het Duits.


Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 59


Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.

Vrij en eigenzinnig uit het Frans vertaald en soms herschreven
door een onbekende renaissancistische Amsterdammer [?],
misschien wel Bredero zelf [?],
in de oudste bewaard gebleven druk van Jan Janszen, Arnhem 1613.

Hoofdstuk 59 van de in totaal 139

Verantwoording (met naschriften)

Wie is wie in Palmerijn van Olijve?

Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:
van inmiddels 529 pagina’s A4


zondag 7 februari 2016

Palmerijn van Olijve nu ook als gratis epub boek

Door Willem Kuiper

Naarmate ik, geholpen door Ingrid Biesheuvel en Tatiana-Ana Fluieraru, vorder met de editie van Palmerijn van Olijve – nog zo’n 80 hoofdstukken te gaan – groeit mijn verbazing over de manier waarop de vertaler met zijn Franse brontekst is omgesprongen. Dit is geen ‘vertaler’, dit is een creatieve auteur, die een bestaande roman gebruikt om zichzelf te leren schrijven. Weliswaar volgt hij de verhaallijn vrij getrouw, maar hij grijpt zo vaak en zo diep in, laat soms weg, voegt soms toe, met name dramatische elementen, met als eindresultaat een literair experiment dat veel meer aandacht verdient dan deze ‘ridderroman’ tot op heden gekregen heeft. Soms denk ik wel eens dat Bredero niet alleen aan deze roman ontleend heeft, maar dat hijzelf de vertaler was.
     Om het lezen van deze roman te vergemakkelijken, dus zonder de Franse ijsberg onder water, bied ik nu ook een epub-versie van Palmerijn van Olijve in een ongezipte en een gezipte vorm aan. Sommigen kunnen de epub-versie direct downloaden, anderen moeten eerst de zip-versie downloaden en die uitpakken om de epub versie op hun digitale leesplank te kunnen monteren.
     Een link naar de epub-versie(s) zal worden toegevoegd aan de wekelijkse aflevering die normaal gesproken elke maandagochtend om 00:00 gepubliceerd wordt.
     

Waarom kennen we de klemtoon van onzinwoorden?

Door Marc van Oostendorp

In mijn zondagochtendminicollege vertel ik vandaag over het eigenaardige verschijnsel dat we van onzinwoorden kunnen raden waar de klemtoon ligt – en dat alle sprekers van het Nederlands dat ongeveer op dezelfde manier doen.

zaterdag 6 februari 2016

AVT/Anéla-prijs voor Koen Sebregts; LOT-populariseringsprijs voor Ronny Boogaart

Tijdens een feestelijke bijeenkomst vanmiddag aan het eind van het Taalgala is de AVT/Anéla-prijs voor het beste taalkundige proefschrift uitgereikt aan Koen Sebregts voor zijn dissertatie The Sociophonetics and Phonology of Dutch r.

De prijs voor de beste populair-wetenschappelijke publicatie ging naar Ronny Boogaart (Universiteit Leiden) voor zijn boek Een sprinter is een stoptrein zonder wc.

Neder-L besteedde het afgelopen jaar aandacht aan zowel het proefschrift van Sebregts <hier>, als aan het boek van Boogaart <hier> en <hier>.

Platform Literatuur en Samenleving (24/03)

Donderdag 24 maart 2016
Platform Literatuur en Samenleving
Vlaams-Nederlands Huis deBuren | Muntpunt (Brussel)
Leopoldstraat 6 | 1000 Brussel

Het is tijd voor actie, ook in het veld van de literatuur. Het belang van het geschreven woord hoeft niet meer te worden aangetoond. Het is er gewoon: als vermaak, als schoonheid, als kennis, als vorm van engagement of als nutzondernut. Maar wat verloren is gegaan is de natuurlijke band tussen het onderwijs, de literaire kritiek, de academische studie. Elk van die domeinen ging zijn eigen weg en mede daardoor dreigt de relevantie van literatuur niet langer als evident te worden ervaren.
Actie houdt in dat de domeinen aan elkaar tonen wat zij elkaar te bieden hebben. Het Platform Literatuur en Samenleving – een initiatief van het tijdschriftenverband FOLIO, het Fonds voor de Letteren en Vlaamse literatuurwetenschappers – wil enerzijds goede praktijken aanreiken en anderzijds voorstellen doen voor een nieuwe samenwerking tussen kritiek, onderwijs en universiteit. Dat gebeurt in de voor- en namiddag van 24 maart in DeBuren en Muntpunt samen met belangrijke vertegenwoordigers van het literaire en culturele veld. Kom, en denk mee!

Klinkletters kijken in de 18e eeuw

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (58)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

In een bekend artikel heeft Gert de Jager er ooit op gewezen dat het sonnet bij uitstek een visueel genre is. Vooral dichters die naar hun werk in geschreven vorm kijken (en niet vooral luisteren naar hun gedichten) zouden in het genre geïnteresseerd zijn. Die veertien regels, op een bepaalde manier gestructureerd, kun je met een oogopslag overzien, maar je kunt nauwelijks horen als iemand een sonnet voorleest.

Op die manier verklaarde De Jager de herleving van het sonnet in de tweede helft van de negentiende eeuw. De Tachtigers zetten zich af tegen de in orale tradities gewortelde domineespoëzie (preken, liedjes) en kozen voor de echt gekunstelde en visuele vorm van het sonnet.

Ik ben in mijn geschiedschrijving inmiddels aangekomen in een periode die volgens die logica zo goed als dood moet zijn geweest voor het sonnet: dat van de achttiende eeuw. Toen ik enkele deskundigen over de achttiende eeuw ernaar vroeg, ontstond er bij sommigen ook wel enige paniek: werden er toen wel sonnetten geschreven?

Maar natuurlijk bleken er toch meer dan genoeg te vinden. Zoals deze van Albertus Frese (1714-1788):

vrijdag 5 februari 2016

De eerste druk van Vondels derde tragedie: Palamedes (1625)

door Ton Harmsen

Van het derde pianoconcert van Beethoven kan je zo verschillende versies horen, dat je je afvraagt: wat is toch eigenlijk het concert dat Beethoven geschreven heeft? Voor literatuur geldt dat nog sterker: auteurs redigeren hun teksten opnieuw voor een heruitgave, zetters doen hun duit in het zakje, roofdrukkers pikken hun graantje mee, tijden veranderen, editeurs menen het beter te weten en met recht kan je roepen: Dé Gysbreght bestaat niet.

Van Vondels Palamedes beschrijft Ceneton 55 zeventiende- en achttiende-eeuwse edities, die we in drie soorten kunnen indelen: acht verschenen er bij Jacob Aertsz Colom in of kort na 1625, acht bij Abraham de Wees in 1652 en 25 in de eerste helft van de achtiende eeuw. Zogenaamd bij Pieter Brakman in Amersfoort, maar in feite in Rotterdam bij Pieter van der Veer. De overige veertien verschenen in de loop der jaren bij allerlei drukkers in Amsterdam.

Kun je je voorstellen?

Door Marc van Oostendorp

Opgelet, een beroemde Nederlandse schrijfster gaat binnenkort de volgende zin gebruiken, in ieder geval als ze durft:
  • 'Ik word daar depressief van, kun je je voorstellen?'
Zoals goede schrijvers dat doen, heeft ze onlangs wel eerst advies gevraagd aan het Meertens Instituut. Allerlei meelezers vonden dat je toch echt dat moest invoegen in die zin. Maar de schrijfster kon haar personage (een jonge Drentse homo) het zo horen zeggen. Hoe zat dat?

Nu hoor ik die zin ook weleens. Bijvoorbeeld in deze oude sketch van Theo Maassen en Pieter Bouwman (het begint op ongeveer 04:10):




donderdag 4 februari 2016

Kom dwalen tussen schrijvers en verhalen


Het Letterkundig Museum en Huygens ING presenteren het online Literatuurmuseum.
Verdiep je in mooie en unieke verhalen over de Nederlandse literatuur. Schrijvers, thema’s en gebeurtenissen worden tot leven gebracht aan de hand van literaire schatten.

Het Literatuurmuseum is een snel groeiend online museum; er komen regelmatig verhalen bij. Ook verschijnen er wekelijks nieuwe artikelen, waarin schrijvers van nu vertellen over de collectie van het museum.

Een laat-middeleeuwse fibula met opschrift. En dat staat er(op)!

Door Willem Kuiper

Afgelopen zondag 31 januari 2016 publiceerde ik in Neder-L een door Herman Mulder (KB Brussel) ingezonden foto van een laat-middeleeuwse fibula met daarop een grotendeels afgesleten opschrift,


in de hoop dat Neder-L lezers in een gezamenlijke inspanning deze tekst zouden kunnen ontletteren. Zelf kon hij MON CEVR A VOS lezen, wat Frans is voor: Mijn hart voor u.


Etymologie: hola

hola tw.

Laatmiddelnederlands hola ‘wacht eens even, kalm nou’ (1486, Het boeck vanden pelgherym), Vnnl. hola (1502). Tot ca. 1900 daarnaast ook vaak als holla gespeld, wat nog de gebruikelijke dialectvorm in het Ripuarisch en Moezelfrankisch is.

Uitroep die een handeling, uitspraak of gedachtengang onderbreekt of tot onderbreking oproept; inleiding van een tegenwerping. Hol(l)a komt in de zestiende eeuw en zeventiende eeuw veelvuldig voor in de weergave van directe rede, en blijft ook daarna gangbaar.

Het poëtische woord van 2016: maar

Door Marc van Oostendorp

Waarover dicht de Nederlander anno 2016? Over tegenstellingen, over het feit dat dingen niet zijn wat ze lijken. Die conclusie kunnen we trekken uit de Turing Gedichtenwedstrijd 2016. Van de gepubliceerde top-100 met gedichten uit die wedstrijd heb ik gisterenmiddag een woordenwolk gemaakt: je ziet hem hiernaast.

Om hem te begrijpen moet je wel weten dat de woorden die in de dagelijkse taal bovenaan staan — de, het, in — weggefilterd zijn. Maar gegeven dat alles blijft maar over als hét dichterlijke woord van 2016.

Maar is het woord van de gebroken verwachtingen. Het lijkt hier wel gezellig, maar onder de tafel ligt een slordig afgebeten wijsvinger. Dat is wel een aardige man, maar hij stemt stiekem op Wilders. Of omgekeerd: de hele stad is in rep en roer maar ik begiet rustig mijn begonia's.

Wij mensen hebben alleen maar een woord maar omdat de dingen niet zijn op ze lijken. En op die prefilosofische verwondering is een heleboel hedendaagse vaderlandse dichtkunst gebouwd.

woensdag 3 februari 2016

Had je maar nooit een gedicht gezien

Door Marc van Oostendorp

Ik loop al een week in een hoofd met een regel uit de nieuwe bundel van Menno Wigman, Slordig met geluk. Het gaat om de laatste regel van het eerste gedicht van de eerste afdeling, 'Rien ne va plus'. Voor de contekst geef ik er ook een paar eerdere regels bij:

En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

Ik geloof dat ik ook niet de enige lezer ben die het overkomt. Waarom blijft die regel – die uit een brief van Slauerhoff komt – hangen? Men kan van alles en nog wat van mij beweren, maar niet dat ik een poète maudit ben, en zesendertig ben ik ook al niet. 

Er schuilt natuurlijk een paradox in zo'n regel, die je alleen kunt oppikken wanneer je niet alleen een gedicht ziet, maar het zelfs aan het lezen bent.

dinsdag 2 februari 2016

Afscheidsrede prof. dr. Paul Wackers online

Op 2 december 2015 nam Paul Wackers afscheid van de Universiteit Utrecht als hoogleraar Nederlandse letterkunde tot 1500.

De tekst van de rede die Wackers bij die gelegenheid uitsprak staat onder de titel Vleugels van een duif. Beschouwingen over 40 jaar medioneerlandistiek nu als pdf online op de servers van de Utrechtse universiteit.

Verschenen: Speciaal nummer Stellenbosch Papers, opgedragen aan Hans den Besten

Studies opgedra aan Hans den Besten: Suider-Afrikaanse perspektiewe / Studies dedicated to Hans den Besten: Southern African perspectives

De bleke pornoster en de huilende moeder

Door Marc van Oostendorp

Wat is er gaande in de Vlaamse dichtkunst? Ik lees maar de hele tijd gedichten waarin uitdrukkingen staan die zijn gevormd op de malde/een X Y, waarbij X een bijvoeglijk naamwoord is en Y een zelfstandig naamwoord.

Vermoedelijk is Delphine Lecompte ermee begonnen, of in ieder geval heeft zij het genre tot grote hoogte opgezweept. Jaar in jaar uit doet ze daarin verslag van haar avonturen met de oude kruisboogschutter, zoals ze haar geliefde voortdurend noemt, en haar vorig jaar verschenen bundel Dichter, bokser, koningsdochter opent met een gedicht Je kunt niet alleen zijn met een paard dat als volgt begint:

Je kunt alleen zijn met een bleke pornoster
Hij scheert zijn handrug en denkt aan zijn eikelring
Je kunt alleen zijn met een uitgewaaierde pauw
Hij toont zijn staart en denkt aan zijn hoogtepunt


maandag 1 februari 2016

Hoe klonk de Engelse jambe van Doctor Syntax?

Door Bas Jongenelen

Het klassiek Grieks en het Latijn kenden het metrum: de regelmatige afwisseling van lange en korte klinkers. In de moderne talen is er sprake van een ander soort metrum: de regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Met moderne talen bedoel ik de moderne talen die ik ken, zo ongeveer de Romaanse en Germaanse talen. Met ‘die ik ken’ bedoel ik niet dat ik die talen dan allemaal spreek of kan verstaan, maar dat ik die talen wel eens gehoord heb – enfin, u begrijpt me wel. Hoop ik. Het klassieke metrum kunnen wij niet horen, een lange a die onbeklemtoond is, krijgt toch het streepje in plaats van het boogje, en dat vinden wij heel gek.

De lucht is guur

Door Marc van Oostendorp


In een van de essays in Hans Groenewegens laatste boek, De lezer van poëzie en mystiek, bespreekt de auteur Hadewijch, Kees Ouwens en Bertolt Brecht. Hebben die dan iets met elkaar te maken? Tja, zegt Groenewegen in de inleiding, "het enige intuïtieve verband dat men schrijvend zichtbaar heeft gemaakt, is dat de drie losse onderdelen onder één titel zijn samengebracht."

Ik denk dat Groenewegen die waarschuwing over het intuïtieve verband voor de hele bundel heeft willen laten gelden. In dit boek, dat hij door zijn overlijden in 2013 net niet meer helemaal zelf af heeft kunnen maken, staan opstellen bij elkaar over poëzie en mystiek. Dat is een breed thema – het begrip poëzie is al niet zo duidelijk afgebakend, maar mystiek is dat zo mogelijk nog minder – en ik geloof ook niet dat je kunt zeggen dat er uiteindelijk een duidelijke lijn zit in het boek.

Het cirkelt wel langzaam maar zeker naar een beter begrip van wat eigenlijk het verband is tussen mystiek en taal. Mystiek is eigenlijk de anti-taal.


Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 58



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.

Vrij en eigenzinnig uit het Frans vertaald en soms herschreven
door een onbekende renaissancistische Amsterdammer [?],
misschien wel Bredero zelf [?],
in de oudste bewaard gebleven druk van Jan Janszen, Arnhem 1613.


Hoofdstuk 58 van de in totaal 139

Verantwoording (met naschriften)

Wie is wie in Palmerijn van Olijve?

Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:
van inmiddels 521 pagina’s A4


zondag 31 januari 2016

Praten als een vlogger. 4 tips die je leven gaan veranderen

Door Marc van Oostendorp

Hier zijn vier tips hoe ook jij kunt leren praten als een echte vlogger!


Een laat-middeleeuwse fibula met opschrift. Maar wat staat er(op)?

Door Willem Kuiper

Ongeveer één jaar geleden verraste mediëvist Herman Mulder de lezers van Neder-L in ‘Tegeltjeswijsheid’ op een oude vloertegel met daarop de afbeelding van een nar, en rondom die nar een tekst die tot op heden niet ‘ontletterd’ kon worden. Nu heeft hij weer zo’n puzzle ingezonden: een cirkelvormige ‘fibula’ met daarop een tekst. Zie hier een viertal afbeeldingen van deze gesp / speld, die mogelijk nog 16e-eeuws is:


Wie kan hem en ons vertellen om wat voor een gesp / speld het hier gaat? En wat staat erop geschreven?

zaterdag 30 januari 2016

Alle tranen van de eenzaamheid

door Gert de Jager

Op de poëziekalender van Van Oorschot een klassieker van Lodeizen:


ik ben het zuiverste dier op aarde
ik slaap met de nacht als met mijn lichaam
en de nacht wordt groter in mijn hart

in het donkere weefgetouw van je vingers
borduur ik een nacht van eenzaamheid
veelkleurig veeleisend veranderlijk

ik ken alle tranen van de eenzaamheid
sla mij maak mij open
ik ben een roos van vrolijkheid

kom hier vertrouw mij
ik gooi de wind vol sterren

als een boot van overvloed
in de spaarzaamheid van de zee

nu ben je niet gekomen
en zachtjes ga ik dicht.


Met Lodeizens reputatie is het altijd raar gesteld gesteld geweest. In het begin van de jaren vijftig was hij even de Jacques Perk van de Vijftigers - in de tijd dat Vinkenoog de Vijftigers aan het volk voorstelde in zijn bloemlezing Atonaal.

Oplichters, huwelijkszwendelaars, malverserende notarissen, kwakzalvers en kale mannen in de 18e eeuw

Opgeschoren, gemillimeterde of spiegelgladde schedels, het is nu het merkteken van ‘revolutionair rechts’. In de 18e en vroege 19e eeuw was dat niet veel anders. Ook toen drukte een kaal hoofd een groepsidentiteit uit. Weliswaar niet van een rechtse, autoritair angehauchte club, maar van een uiterst individualistisch ingesteld gezelschap, maar even hemelbestormend. Wie zich in plaats van met een rijk bepoederde pruik met een gladde schedel liet afbeelden, wilde daarmee immers aangeven dat hij een intellectueel was, een vrijdenker, wars van dogmatisme, authentiek en tolerant. Marleen de Vries, auteur van het goed ontvangen en herdrukte boek Beschaven! Literaire genootschappen in Nederland 1750-1800 (2001), heeft zich nu gestort op 18e eeuwse mannen zonder pruik en doet verslag van haar bevindingen in het nieuwe nummer van de Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman (38,2). Pruiken blijken in minder dan honderd jaar van ‘een onmisbaar sociaal attribuut’ verworden te zijn tot ‘een verachtelijk en ridicuul object, waarmee mannen zichzelf afserveerden als religieus dogmatisch, onecht, ijdel, politiek corrupt, ondemocratisch en vrouwelijk’. 

Corruptie komt ook verder uitvoerig en smakelijk aan bod in deze aflevering.