dinsdag 28 juli 2015

Neder-L-cartoon #60

De Taalprof doet participerend veldonderzoek
naar wenselijkheidsmodaliteit

De nummer één

door Jan Stroop


Kortgeleden zag ik op de website Taalmeldpunt.nl de volgende melding: “Flexa, het nummer één verfmerk voor doe-het-zelvers.” De melder vond kennelijk dat het nummer één een vreemde formulering is en inderdaad je leest en hoort in dit soort combinaties steeds de nummer één met ’t lidwoord de.  Paar voorbeelden uit Google:  De nummer één uien leverancier van Europa. Waarom is Engels de nummer één wereldtaal?  

Meestal gaat ’t bij de nummer één om sportverslaggeving, zoals hier:
Novak Djokovic is weer de nummer één op de wereldranglijst.
In mijn ogen is Barça nog altijd de nummer één van Europa.
De Oranje Dames zijn nog steeds de nummer één van de wereld.
Agassi de nummer een, maar Becker is er ook nog.
om zodoende de nummer één spits te worden in Amsterdam.

Mogen beta's en gamma's zich met de taalkunde bemoeien?

Door Marc van Oostendorp

Wie mag er precies onderzoek doen naar taal? Moet je eerst een paar jaar naar de universiteit om iets te mogen zeggen over dit wonderlijke, alomvertakkende, ingewikkelde, interessante, fraaie, onderwerp? Of is wat een wiskundige met zijn onbevooroordeelde blik erover te zeggen heeft misschien wel veel interessanter dan wat jij en ik er eventueel over te berde zouden kunnen brengen?

Het is al een tijdje een onderwerp in iedere koffiekamer waar meer dan één taalkundige aanwezig is, en daardoor natuurlijk ook op de weblogs die er zijn. De afgelopen jaren verschijnt er immers geregeld af en toe onzinonderzoek in de media van psychologen, statistici en allerlei andere lieden die als olifanten door de porseleinkast lopen, in belangrijke tijdschriften bevindingen over taal publiceren die voor de meeste taalwetenschappers op zijn best achterhaald zijn, en daar ook nog eens de media mee halen.

Wat moet je daarmee?

maandag 27 juli 2015

Linguïstisch Miniatuurtje CLXIII: Mensen moeten zich hier niet aan ergeren heb ik zoiets

Door Peter-Arno Coppen
 
Kenny B: "heb ik zoiets"
Ik ben een verklaard liefhebber van de constructie Ik heb zoiets van. Wat mij betreft is er geen mooiere aanwending van eenvoudige middelen om een subtiel communicatief resultaat te krijgen. De constructie bevat een aantal oeroude elementen die samen een betekenis creëren die aangeeft dat het navolgende citaat, of de navolgende uitspraak, iemands "innerlijke stem" representeert. Als je zegt Hij had zoiets van "Geef de appelmoes eens door," dan heeft de persoon waarover je het hebt niet werkelijk gezegd "Geef de appelmoes eens door," of zelfs maar een uitspraak gedaan die daarop lijkt. Nee, je geeft daarmee aan dat je uit allerlei signalen opmaakt dat hij graag wil dat de appelmoes doorgegeven wordt. Ook als je zegt Ik had zoiets van "Geef de appelmoes eens door," dan rapporteer je je eigen innerlijke stem. Het is subtiel anders dan Ik dacht: "Geef de appelmoes eens door." De constructie met ik had zoiets van impliceert dat je in je gedragingen wel iets laat merken, wat bij ik dacht niet noodzakelijk het geval is.

Als liefhebber word ik zelden verrast door een nieuwe gebruikswijze van Ik heb zoiets van. Maar gisteren overkwam me dat toch, toen ik luisterde naar een interview met de bekende zanger Kenny B.

Neder-L-cartoon #59

De Taalprof gaat grondig te werk

Drie talen in het laboratorium van de werkelijkheid

Door Marc van Oostendorp

Wat is een taal? Is het vooral een woordenboek en een grammatica – iets dat je kunt opsluiten in een bandje? Of is het vooral iets dat behoort tot een taalgemeenschap? En wie kan het 't best voor het zeggen hebben in een taal? Het ongeorganiseerde zootje sprekers van die taal, of liever taalwetenschappers en andere deskundigen?

De geschiedenis heeft een experiment gedaan om de antwoorden op die vraag te vinden, laat de Spaanse socioloog Roberto Garvia zien in zijn nieuwe boek: aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw kwamen er een taalbewegingen op die pleitten voor kunstmatige internationale hulptalen. De drie grootste van die bewegingen – de voorstanders van respectievelijk het Volapük, het Esperanto en het Ido – hadden heel verschillende ideeën over wat een taal eigenlijk was. Uit het verloop van die strijd kunnen we veel afleiden van hoe een taal werkt, hoe we een taal kunnen maken en beïnvloeden, en wie de baas is van de taal.

Paus

Het Volapük was de eerste.

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 31



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.


[zoals gedrukt te Arnhem door Jan Janszen, boeckvercooper in 1613]





Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:


zondag 26 juli 2015

Neder-L-cartoon #58

De Taalprof is zelf een vakantiebestemming

Klemtoon

Door Marc van Oostendorp

Mijn zondagochtendcollege beschrijft vandaag een verborgen regel van het Nederlands: de plaats van de klemtoon.


zaterdag 25 juli 2015

Neder-L-cartoon #57

De Taalprof kan weer rustig slapen

Polemologische taalwetenschap


Sinds kort is Marc van Oostendorp op Neder-L begonnen met het beantwoorden van vragen over taal die zijn gesteld aan de Nationale Wetenschapsagenda. Zo ook deze vraag:

Welke rol spelen verschillen in spreek- en schrijftaal bij internationale en intranationale conflicten? Het valt mij op dat bij berichtgeving over grootschalige en kleinschalige conflicten tussen groepen wel veel aandacht besteed wordt aan politieke, raciale en godsdienstige verschillen, maar zelden of nooit aan taalverschillen. Toch lijkt het met voor een beter begrip en mogelijke conflictoplossing niet onbelangrijk te weten of de betrokken groeperingen (bijvoorbeeld soennieten en sjiïeten) elkaar kunnen verstaan en elkaars schrift kunnen lezen. Is er sprake van taaldiscriminatie? Is er een lingua franca (bijv. Engels) en voor wie is die toegankelijk? Ook op kleine schaal (Nederlandse samenleving) is de sociaal-onderscheidende functie van verschillen in spreektaal (dialect, uitspraak, woordgebruik) wellicht belangrijker aan het worden dan een zichtbaar verschil als huidskleur of culturele kenmerken als godsdienst en kleding. 

Marc van Oostendorp maakt in reactie op deze vraag een paar goede observaties en opmerkingen, maar een echt antwoord heeft hij niet. Dat heb ik ook niet, maar ik heb wel nog wat meer interessante observaties en opmerkingen. Misschien dat we de polemologische taalwetenschap, net door Marc bedacht, wat meer leven kunnen inblazen…

Hy wil aan Kindertjes, syn Heyl woord toe doen deelen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (30)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?


Door Marc van Oostendorp


Het Nederlandse sonnet werd geboren in 1556. Over, laten we zeggen, de macrostructuur was daarna lange tijd weinig onduidelijkheid: veertien regels, onderverdeeld als twee keer vier en dan twee keer drie. Aan het rijmschema viel eventueel nog wat te morrelen.

Anders lag dat met de opbouw van de versregel. Daarover bestond in het begin allerlei onenigheid: moest je alleen klemtonen tellen? Of alle lettergrepen? Uiteindelijk kwam men uit op een Nederlandse versie van de Franse alexandrin: iedere regel heeft twaalf lettergrepen, of dertien, als de laatste een toonloze e heeft. Precies na de zesde lettergreep is er een pauze, een cesuur: de zesde en de zevende lettergreep vormen nooit samen een woord, of een al te nauw verbonden woordgroep.

In de loop van de zeventiende eeuw komt er een ander soort regelmaat in de regel: een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Als die er eenmaal is, wordt de cesuur langzaam weggelaten. Zoals in dit (laat zeventiende-eeuwse) sonnet van Geertruyd Gordon:

vrijdag 24 juli 2015

Neder-L-cartoon #56

De Taalprof krijgt veel bijval voor zijn laatste argument

Welke rol spelen verschillen in spreek- en schrijftaal bij internationale en intranationale conflicten?

Onverwachte taalvragen in de Nationale Wetenschapsagenda (4)

Door Marc van Oostendorp

Een van de mooie kanten van de taalkunde is, vind ik, dat het zo'n enorm breed vak is. Je kunt experimenten doen, of oude folianten doorwerken, je kunt boeren in Flevoland interviewen of je in je bed terugtrekken met een stompje potlood en een stuk papier; en je in al die gevallen toch nog taalwetenschapper noemen.

Maar wanneer je de vragen leest die mensen hebben gesteld aan de Nationale Wetenschapsagenda besef je dat het vak misschien nog niet breed genoeg is, dat we nog veel meer taalwetenschappers nodig hebben die nog veel meer aspecten van taal bestuderen. Mensen die bijvoorbeeld de volgende vraag zouden kunnen beantwoorden: 

donderdag 23 juli 2015

Dit was overigens het nieuws

Door Lucas Seuren

Volgens mij is er iets aan de hand met overigens. Ik dacht altijd dat het betekende dat een deel van de boodschap een soort kanttekening was, maar tegenwoordig heeft het ook een andere discourse-organisatorische rol. Dit zie ik de laatste maanden regelmatig in nieuwsberichten en andersoortige journalistieke artikelen die worden voorzien van een alinea die, als ik overigens ouderwets zou lezen, er volgens de schrijver niet toe doet. Het betreft een bijzaak en zoals elke schrijver weet moet je bijzaken als het even kan altijd weglaten.

In sommige gevallen wordt overigens inderdaad, naar het lijkt, nog op die manier gebruikt. Zo las ik op NRC.nl in een berichtje over de bezoekersaantallen van de Vierdaagsefeesten dat de wandelaars overigens rekening moesten houden met slecht weer, en in een bericht over de verkiezing van de nieuwe FIFA-voorzitter dat overigens een Britse komiek een dosis nepgeld over Blatter uitstrooide. In beide gevallen ging het niet om informatie die de nieuwswaarde ondersteunde of belangrijke achtergrondinformatie leverde (en in beide gevallen had de hele alinea dus volgens mij ook geschrapt kunnen worden).

Neder-L-cartoon #55

De Taalprof legt zich er niet bij neer

Gaat het Nederlands uiteindelijk verdwijnen en zo ja, wanneer?

Onverwachte taalvragen in de Nationale Wetenschapsagenda (3)

Door Marc van Oostendorp

Is het opvallend dat er veel van de vragen aan de Nationale Wetenschapsagenda gaan over de toekomst? Misschien niet. Als ik iets van een andere discipline wil weten zal dat ook vaak gaan over die tijd waar niemand iets vanaf weet. Heeft het nog zin om mij als oude man uit te sloven met rijles of komt de zelfbesturende auto er harder aan dan ik kan leren schakelen? Zullen we ooit de muizen uit huis kunnen weren zonder ze dood te maken? Kunnen we ooit door stijlanalyse vaststellen of Caesar platvoeten had?

 En toch zijn het precies dat soort vragen waarbij je als taalkundige met de mond vol tanden staat. Vragen als:
  • Taal is veranderlijk. De Nederlandse taal is altijd een mengelmoes geweest van Nederlandse, Duitse, Engelse, Franse en Spaanse woorden. Met name het Engels nestelt zich sneller dan ooit in onze taal. Bij hoeveel procent buitenlandse woorden kan je de Nederlandse taal niet meer een zelfstandige taal noemen? Gaat het Nederlands uiteindelijk verdwijnen en zo ja, wanneer?

woensdag 22 juli 2015

Linguïstisch Miniatuurtje CLXII: ik ben een van de weinigen die dit vindt

door Peter-Arno Coppen

Oude tijden herleven! De afgelopen dagen zat ik ineens in een discussie die ik bijna dertig jaar geleden ook al voerde. De aanleiding was de bekende constructie Zij was een van de laatste vrouwen die klederdracht droeg, en de discussie vond plaats in de facebook-groep voor leraren Nederlands. De taalprof heeft er ook al eens over geschreven (hier), maar dat is ook alweer acht jaar geleden. Blijkbaar zit er nog altijd iets in, dat de gemoederen hoog doet oplopen.

Neder-L-cartoon #54

De Taalprof trapt er niet in

Hoeveel Nederlands hebben we al gebruikt?

Onverwachte taalvragen in de Nationale Wetenschapsagenda (2)

Door Marc van Oostendorp


Er zijn voor een taalkundige soms verrassende vragen ingediend bij de Nationale Wetenschapsagenda. Zoals:
  • Hoeveel Nederlands hebben we al gebruikt? 'Banket' en 'stoet' zijn Nederlandse woorden, 'stulika' en 'oproom' zijn (waarschijnlijk) geen Nederlandse woorden, maar zouden het kunnen zijn, 'hglsko' en 'salptjr' kunnen geen Nederlandse woorden zijn. Hoeveel van het potentieel hebben we gebruikt, en verschilt het Nederlands daarin van andere talen?
Het antwoord op die vraag valt wel bij benadering te geven.

dinsdag 21 juli 2015

Neder-L-cartoon #53

De Taalprof heeft vier dagen om erachter te komen

Hoe kan de Nederlandse taal aangepast worden aan de hedendaagse gender-realiteit?

Onverwachte taalvragen in de Nationale Wetenschapsagenda (1)

Door Marc van Oostendorp

In deze zomerserie ga ik in op voor taalkundigen onverwachte vragen die 'het publiek' gesteld heeft aan de Nationale Wetenschapsagenda. Een van de ideeën achter die agenda is dat de wetenschap onverwachte vragen uit het publiek krijgt aangereikt. Vervolgens zijn wetenschappers zelf ook en masse vragen gaan indienen omdat ze het idee hadden dat minstens een deel van de onderzoeksgelden weleens naar de vragen van de wetenschapsagenda zijn gegaan. Ik vermoed dat die vragen uiteindelijk ook de meeste kans hebben, maar ik wil me nu richten op de onverwachtere vragen.

Waarom zal de taalwetenschap bijvoorbeeld vermoedelijk niets doen met de volgende vraag? Hij snijdt een maatschappelijk probleem aan dat te maken heeft met taal, dat mogelijk kan worden opgelost door iets te doen met de taal en dat daarom niet door enige andere wetenschapper zal worden aangepakt:

maandag 20 juli 2015

Neder-L-cartoon #52

De Taalprof zoekt alvast een vakantiebestemming uit

Onverwachte taalvragen in de nationale wetenschapsagenda (0)

Door Marc van Oostendorp

Nationale Wetenschapsagenda, gingen er 221 over taal. Inmiddels hebben de jury's en commissies die aan die agenda werken de vragen enigszins gegroepeerd en georganiseerd. Voor de taalvragen leidde dat tot de volgende vier overkoepelende vragen:
Onder de duizenden vragen die er dit voorjaar gesteld zijnaan de
Zoals te verwachten was, loopt rijp en groen door elkaar.

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 30



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.


[zoals gedrukt te Arnhem door Jan Janszen, boeckvercooper in 1613]





Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf: